Iedereen wil zijn kind laten testen

Steeds meer ouders laten de intelligentie van hun kind testen. Bij de testbureaus loopt het storm, maar de definitie van intelligentie is niet eenduidig en de methodes om de begaafdheid van kinderen te meten, lopen uiteen.

Het Instituut voor Begaafdheidsonderzoek in Leiden hanteert een eenvoudig maar omstreden principe: denken en bewegen zijn onderling verbonden. Laat een kind een som maken en tegelijkertijd met zijn vingers op een balkje tikken. Naarmate hij zich meer moet inspannen om de som te maken – en dus moeite heeft met `wiskundig denken' – verslapt zijn aandacht voor het tikken en tikt hij langzaam. ,,Kan hij echter goed wiskundig denken, dan tikt hij snel'', aldus onderzoeker N. de Groot, die in de jaren veertig wijsbegeerte studeerde.

Steeds meer ouders laten de intelligentie van hun kind meten, zegt de Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen en Onderwijskundigen (NVO), soms al bij kinderen van vier of vijf jaar. Scholen zien met lede ogen aan, dat de ouders extra aandacht willen voor hun `bijzondere' kind. Aanleiding is meestal afwijkend gedrag van het kind. ,,In sommige gevallen blijft de leerling achter en geloven de ouders dat `er meer in zit','' vertelt lerares C. Netten van de St. Joseph basisschool in Leiden. ,,Of de ouders vinden dat hun kind voorloopt en bijvoorbeeld een klas moet overslaan.'' Op grond van die laatste gedachte, spande de familie De Rooy in Bussum vorige maand een rechtszaak aan tegen de basisschool van hun 5-jarige dochter. De rechter wees de eis af, de De Rooys zijn in hoger beroep gegaan.

De familie De Groot die het Leids Instituut voor Begaafdheidsonderzoek runt, hoeft geen reclame te maken – het loopt toch wel storm in het donkergrijze kantoor. Vier familieleden hebben zich toegelegd op hun alternatieve manier om `begaafdheid' te meten. Na een ochtend denken en tikken, ontvangen kind en ouders een `begaafdheidsprofiel' dat hun sterke en zwakke kanten belicht. Kosten: duizend gulden. Niemand krijgt te horen dat hij `laagbegaafd' is en faalangstigen komen er tot hun recht omdat ze niet per se juist hoeven te antwoorden. Volgens De Groot helpt hij kinderen van ministers, hoogleraren en zelfs van de koninklijke familie.

Psycholoog B. Jansen in Zwaag merkt in haar praktijk ook een toename van de vraag naar een `second opinion' over een test die de school heeft afgenomen. ,,Ouders zijn het weleens oneens met het eerste resultaat.'' Lang niet alle ouders denken onmiddellijk dat hun kind hoogbegaafd is, onderstreept Jansen. ,,Maar ze willen het gevoel hebben dat de basisschool persoonlijke aandacht besteedt aan hún kind. Vaak voelen ze zich miskend.''

Sinds de jaren zeventig is de aandacht in het onderwijsbeleid sterk gericht op de zwakke of achtergestelde leerling. Jansen: ,,Het idee `dat de goede leerling er toch wel komt' overheerste.'' Volgens haar is de roep om aandacht voor buitengewoon intelligente kinderen een reactie hierop, van individuele ouders. ,,Bovendien zijn de ouders wier kinderen nu op school zitten zelf opgegroeid in grote welvaart. Ze zijn bang dat hun kinderen die welvaart niet zullen kennen en denken dat daarvoor een zo hoog mogelijk diploma nodig is.''

Toch lijken veel ouders geobsedeerd door `ontwikkeling' en `hoogbegaafdheid'. Internet staat er bol van – het woord `hoogbegaafd' roept op een zoekprogramma 106 Nederlandse links op. Zo heeft de vereniging voor hoogbegaafde studenten `Mensa Nederland' een website en is er een `Themapagina Hoogbegaafdheid'. Alle sites verwijzen naar de vereniging Pharos (2.200 ouders van hoogbegaafde kinderen). Het gastenboek van de vereniging Hint ('Hoogbegaafdenintegratie') toont emotionele brieven van trotse, moedeloze en gefrustreerde ouders. Andere sites prijzen tests aan: `Hoogbegaafdheid signaleren en identificeren? Dat kunt u zélf met de Si-Bel observatielijst!'.

Voor het begrip `intelligentie' bestaat echter geen eenduidige definitie. Het Woordenboek voor Psychologen komt tot de volgende conclusie: ,,Uiteindelijk zal intelligentie blijven wat het altijd is geweest: het vermogen om profijt te trekken van ervaringen en, in pragmatische zin, dat wat het geworden is: dat wat een intelligentietest meet.''

Twee orthopedagogen kunnen twisten over de uitkomsten van één toets bij hetzelfde kind. Bij de 5-jarige dochter van de familie De Rooy was dit het geval. Bovendien zijn `orthopedagoog' en `psycholoog' geen beschermde beroepstitels. Iedereen kan in principe een bordje in de tuin zetten met `orthopedagoog' erop en de `intelligentie' van kinderen testen, erkent de NVO-directeur L. Mulder. De NVO vindt dat mensen die zich pedagoog noemen ten minste een academische opleiding moeten hebben en de NVO wil dat pedagogen zich verder bekwamen door het behalen van zogeheten `registraties'. Daarmee leren zij theorie en praktijk verbinden.

,,Sinds de studie pedagogiek is uitgekleed en steeds minder praktische vaardigheden bevat, zijn wij dat als beroepsgroep gaan aanvullen'', aldus NVO-directeur Mulder. Ook het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) stelt eisen aan leden. Afgestudeerde psychologen moeten negen maanden werkervaring hebben – dat wordt bevestigd door twee NIP-leden – voordat zij zich NIP-psycholoog mogen noemen. NVO-orthopedagogen en NIP-psychologen moeten zich aan hun beroepscode houden; alleen tegen hen kunnen klanten een officiële klacht indienen. Beide organisaties raden ouders aan om kinderen uitsluitend te laten testen door een NIP- of NVO-lid.

Dit laat het Leids Instituut voor Begaafdheidsonderzoek koud. De familie De Groot vindt de officieel erkende IQ- en intelligentietests juist te beperkt. ,,Daar moet je zo snel mogelijk zo veel mogelijk antwoorden goed hebben. Ze houden geen rekening met faalangst of dyslexie. Ze wijzen alleen uit of iemand een goede leerling is. Een hoogbegaafd mens is iets heel anders: begaafd op alle gebieden, eigenwijs, lastig, anarchistisch zelfs.''

Om ,,kwakzalverij'' te weren, bestaat er bij het NIP een standaardwerk, `Documentatie van tests en testresearch in Nederland', waarin alle intelligentietests worden beoordeeld op onder meer betrouwbaarheid en geldigheid. NIP-psycholoog Jansen: ,,De resultaten zijn onbetrouwbaar en dus schadelijk als je een verkeerde test gebruikt. De resultaten zijn even onbetrouwbaar en schadelijk als iemand een goede test gebruikt, maar niet heeft geleerd hoe hij de resultaten moet interpreteren.''