De fiets spreekt

Ik ruik de stalling. De afgelopen twee maanden heb ik mijn voorwiel en mijn achterwiel een miljoen maal rondgedraaid op een tocht die kloksgewijs om het IJsselmeer voerde, dus steeds rechtsaf slaan, behalve bij het IJsselmeer — dan linksaf slaan. De energie om deze reis te volvoeren, kwam uit de spieren van mijn berijder Cees Stam. Hij verbeeldt zich ook dat zijn handen en benen de richting van het stuur en de snelheid bepalen, en ik laat hem graag in die overtuiging.

Ieder mens merkt dat enig apparaat dat hij vaak gebruikt, op den duur als een uitbreiding van het eigen lichaam wordt beschouwd. De piloot meent vleugels te hebben, de beul een scherpe hand, de ruiter denkt te galopperen. Wat zij bedoelen is dat zij niet bij het vliegen, onthoofden en galopperen ieder ogenblik denken: maar het is het vliegtuig, de bijl, het ros, die het voor mij doet. Ik gun het Cees graag dat hij denkt dat ik slechts een uitbreiding ben van zijn trappende voeten en sturende handen. Maar wij fietsen denken daar toch anders over. Ik beschouw de heer Stam als mijn motor, en soms nog als oppomper van banden, opslotzetter en beller. Mijn persoonlijkheid heeft in zijn lichaam een extra uitbreiding gekregen.

Waarom denkt de mens dat het andersom is? Ach, het nijlpaardenbekschoonmaakvogeltje gelooft ook dat de nijlpaard slechts een etensbak. Maar bij de mens spelen er nog twee andere zaken. De mens zit bovenop de fiets en denkt: boven is de baas. Treurig voor zweefvliegers en Australiërs. De man acht zich superieur boven de vrouw om diezelfde reden. Het is eigenaardig dat de man op een fiets rijdt met een stang, terwijl een vrouw een fiets berijdt met een ronding. De mens neemt tot de fiets een gelijkslachtelijke houding aan.

Buiten dit seksuele argument is het vooral aan het paard te wijten dat de mensen gelooft dat de fiets een verlengsel is van zijn handen en voeten. Wij rijwielen lijken op rijdieren. Maar het grote verschil is dat het paard voor de bewegingsenergie moet zorgen en daarom voedsel aan zijn bezitter moet vragen. Bovendien wordt die vlezen fiets als hij geen zin heeft, pijnlijk in lip en zij mishandeld door bit en sporen. Dat moet een fietser bij ons niet proberen.

Twee maanden heeft de heer Stam u verteld over onze tocht, maar ik kwam er hoogstens als accessoire in voor. Hij weet niet eens mijn naam! Hij heeft geen idee van mijn innerlijke leven. Hij weet niet hoe vaak ik hem gered heb. Hij zit met zijn gat op het zadel en knijpt een enkele maal in mijn banden. Erg intiem is dat niet, want voor ons zijn zadel en banden wat haar en nagels voor u zijn. Wij krijgen nieuwe banden zoals een paard nieuwe hoefijzers.

Waar zit dan wel ons hart? Ik denk: in de kettingkast. En de ziel? De ziel is: ons evenwicht zo gauw wij in beweging zijn. Voor die beweging is een trappend voetenpaar nodig, maar dat betekent nog niet dat Cees mijn God is. Elke zwijntjesjager kan mijn ziel aantrappen en nu wij de hoofdstad naderen, vrees ik dat dit ook gaat gebeuren.

    • Cees Stam