Brits leger liet zich verrassen in Babanango

Het is vakantie! Toeristen zwermen weer uit, campings en hotels zitten vol. Onze correspondenten hebben deze zomer een hotelkamer geboekt met uitzicht op de geschiedenis. Vandaag: Zoeloeland.

Als een veeg gestampte muisjes strekt de Melkweg zich uit boven Zoeloeland. Zó helder is de lucht boven dit deel van Zuid-Afrika, ver van de vervuiling der bewoonde wereld, dat het inktzwarte firmament belegd lijkt met miljoenen sterren. Onder dit gesternte in het glooiende landschap leed het Britse leger op 22 januari 1879 een van zijn grootste nederlagen uit de geschiedenis. Een uitgekookte Zoeloemacht hakte in de slag van Isandlwana het eerste bataljon van het Warwickshire Regiment bijna tot de laatste man in de pan. Toen om half drie 's middags die dag een gedeeltelijke zonsverduistering intrad lagen 1.300 man Britse troepen met de buik opengereten in het gras, gesneuveld na een strijd van amper twee uur.

Honderdtwintig jaar later, temidden van de slagvelden uit wat de geschiedenis in zou gaan als de Anglo-Zoeloe Oorlog (januari-juli 1879) ligt de Babanango Valley Lodge. Koraalbomen en euphorbia's omringen het schitterende logement van waaruit men zo de historie binnenwandelt. Dale Futter, gids namens de lodge, moet een groep ongeïnteresseerde scholieren rondleiden. De pubers hebben meer zin in gefriemel aan elkaar en een stiekem sigaretje dan in het vervelende grijze verleden. Maar dat pikt Futter, geschiedenisleraar van huis uit, niet. Met de Isandlwana-heuvel op de achtergrond spreekt hij de opgeschoten jeugd bestraffend toe en zowaar, het helpt. De volgende drie kwartier ligt de klas aan Futters lippen wanneer hij op adembenemende wijze de slag van weleer doet herleven. Luisterend naar zijn woorden is het alsof men het wapengekletter hoort, alsof de Zoeloe's elk moment weer over gindse koppie zullen rollen om hun vijand te verpletteren.

Het Britse leger van koningin Victoria achtte zich in de vorige eeuw oppermachtig, het imperium was op het hoogtepunt van zijn macht. In alle uithoeken van de aarde moesten branden worden geblust en daarbij liepen zelfs Hare Majesteits troepen soms tegen hun grenzen aan. In de jaren zeventig rommelde het in Brits Indië; tussen 1879 en 1881 woedde de Afghaans-Engelse oorlog, terwijl ook een Balkan-crisis Londen zorgen baarde. `A funny little war' in Afrika was in deze omstandigheden hoogst onwelkom. Maar ze vroegen er zelf om. Begin januari 1879 trok een Britse troepenmacht vanuit Natal, de eigen kustkolonie, Zoeloeland binnen, met als doel de Zoeloes verder te onderwerpen.

De Zoeloes stonden bekend als uitstekende en meedogenloze krijgers, die aanvielen met een strijdplan. Hun beproefde strategie was de impondo zankomo (stierenkop), uitgevonden door de roemruchte koning Shaka. Hierbij splitste het leger zich op in vier tactische eenheden: aan weerszijden de hoorns die de vijand in de flank moesten aanvallen, in het midden de hoofdmacht als de kop van de stier die moest doorstoten en als laatste de lendenen, de reserves om de gaten te vullen. De Zoeloes vochten zo hun onderlinge oorlogen uit, bewapend met assegaai en schild. Tegenover een van vuurwapens voorzien leger waren de Zoeloes normaal gesproken kansloos. Alleen in gevechten van nabij hadden ze het voordeel. Wanneer de krijgers dicht genoeg bij een `moderne' vijand wisten te komen om hun speer te gooien was succes verzekerd, want militairen droegen uiteraard geen schilden meer, terwijl een geweer op korte afstand moeilijk hanteerbaar is.

Deze situatie deed zich voor op 22 januari 1879. Een hete dag, midden in de zomer van het zuidelijk halfrond. De Britten waren slecht voorbereid, gekleed op de Europese winter: dikke rode uniformen en zware helmen. Men had bovendien al wekenlang geen verse bevoorrading meer ontvangen. Maaltijden bestonden uit oude kuch, die, gedragen onder bezwete oksels, eetbaar werd gemaakt. Die ochtend verkeken de Britse commandanten zich volkomen op de Zoeloes. Generaal Lord Chelmsford wist dat Zoeloe-koning Cetshwayo over een aanzienlijk leger beschikte, maar waar dit impi was wist hij niet. De Britten hadden twee dagen daarvoor hun kamp opgeslagen in een nauwe doorgang bij de Isandlwana-heuvel. De Zoeloes, 25.000 man sterk, lagen in hinderlaag enkele heuvels verder. Toen Chelmsford het kampement met een deel van zijn manschappen verliet, vielen de Zoeloes de overgebleven Britten, ongeveer 1.500 man sterk aan. De stierenkop omsingelde de Britten, die pas doorhadden wat er aan de hand was toen de Zoeloes vlakbij hen waren.

Een van de weinige Warwickshire-mannen die de slag overleefde vertelde later dat de Zoeloes als ,,een zwerm boze zwarte wespen' op hen af waren gekomen. Toen na een uur de munitie op was vochten de Britten met alles wat voorhanden was: bajonetten, zakmessen, stenen en hun blote handen, maar de overmacht was te groot. De Afrikaanse krijgers `wasten hun speren' in vijandelijke lichamen. De buik van de verslagenen werden volgens goed Zoeloegebruik opengesneden (qaqa) om `de zielen te laten uitvliegen' opdat deze de overwinnaars niet zouden kunnen lastigvallen. Uiteindelijk sneuvelden ruim 1.300 Britse manschappen. Ongeveer 1.000 Zoeloes lieten het leven.

Het verhaal van Dale Futter zit er op. De jeugd gaapt en mag nog even rondlopen op het `slagveld'. Ze verlangen naar de lodge en het moderne leven. ,,Meneer, wanneer gaan we naar de shopping mall'', vraagt een van de schoolmeisjes. Ze drukt haar apenrugzakje nog inniger tegen zich aan.