Blair moet open kaart spelen

Zijn immer stralende glimlach kan niet verhullen dat de euro als het zwaard van Damocles boven het hoofd hangt van de Britse premier Tony Blair. Diens besluit om een referendum over de euro uit te stellen, zou wel eens zijn grootste strategische fout kunnen zijn, meent Jonathan Eyal.

De Britse premier Tony Blair heeft alle reden tot tevredenheid. Hij heeft in Kosovo een `goede oorlog' gehad en geniet in het binnenland nog steeds grote populariteit. De werkloosheidscijfers zijn de laatste jaren zelden zo laag geweest, Blairs meerderheid in het parlement is de grootste van deze eeuw, en verkiezingen zijn er pas over tweeënhalf jaar – zoveel geluk valt de meeste politici maar zelden ten deel. Maar op één punt komt hij niet zo goed voor de dag: de Europese kwestie. Wat dat betreft geeft Blair, evenals al zijn voorgangers, er de voorkeur aan af te wachten en grote beslissingen uit te stellen.

Toen Labour in mei 1997 aan de macht kwam, zag het ernaar uit dat Groot-Brittannië binnen afzienbare tijd tot de Europese Monetaire Unie zou toetreden: vele nieuwe parlementsleden zijn jong en pro-Europees, het soort mensen dat instinctief voor de EMU zou kiezen. Nu had de Britse Labour Party tijdens haar verkiezingscampagne wel toegezegd dat over toetreding tot de Monetaire Unie een referendum zou worden gehouden, maar de voorwaarden waaraan volgens de regering moest worden voldaan alvorens deelname aan de euro in overweging kon worden genomen, werden opzettelijk vaag gehouden. Op die manier had zij maximale speelruimte, en het heeft er een tijdlang zelfs naar uitgezien dat het beloofde referendum er niet zou komen, te meer daar het constitutioneel gezien niet vereist is.

Maar alles is heel anders gelopen. Om te beginnen gedraagt de Britse economie zich nog altijd heel anders dan die van de overige Europese landen. Om de zaak nog ingewikkelder te maken lijken de anti-Europese opvattingen in Groot-Brittannië terrein te winnen: volgens de jongste opiniepeilingen zou misschien wel twee derde van de kiezers tegen deelname aan de euro stemmen.

Tony Blair behoort tot het traditionele slag Britse politici dat de Europese Unie niet beschouwt als iets dat op zich waardevol is, maar als een noodzakelijk kwaad. Toch is zelfs in de huidige omstandigheden deelname aan de euro voor Groot-Brittannië heel goed verdedigbaar. In de eerste plaats wordt de Europese munt weer sterker en zou de Monetaire Unie nu juist een einde moeten maken aan de betrekkelijk grote koersfluctuaties tussen de euro en het pond. Belangrijker is nog dat ofschoon de Britse hypotheekrente op dit moment laag is, hij traditioneel gemiddeld wel anderhalf procent boven die in bijvoorbeeld Duitsland ligt. Wanneer dankzij de Monetaire Unie dat verschil wordt weggenomen, kan dat voor het modale Britse gezin de hypotheekaflossing wel veertien procent goedkoper maken, wat een reusachtig voordeel is. Maar als dit alles vóór deelname aan de Monetaire Unie pleit, waarom doet Blair daar dan niets aan? De reden is heel simpel: de Britse premier is niet bereid ook maar iets te doen wat zijn kansen op een tweede ambtstermijn in gevaar zou kunnen brengen. Een voorproefje boden de enige verkiezingen die sedert 1997 in het Verenigd Koninkrijk zijn gehouden waar het onderwerp Monetaire Unie niet te vermijden was: de verkiezingen voor het Europese Parlement. Die pakten voor Blair rampzalig uit: zijn partij verloor een groot deel van haar zetels aan de Conservatieven, de enige Britse partij die officieel tegen aansluiting bij de euro binnen tien jaar is. Voor het eerst in tientallen jaren zien de meeste Britten Europa niet als een economisch land van belofte, maar als een gebied in recessie. Belangrijker voor Blair is nog dat de delen van het Verenigd Koninkrijk heel verschillend tegen de euro aankijken. In Schotland is de euro populair omdat hij de Schotse nationalisten een zonnige toekomst buiten de dominante invloed van Engeland in het vooruitzicht stelt.

De moeilijkheid voor Blair is dat hoe sterker dat argument meespeelt, des te groter de kans is dat de Engelsen zich tegen de euro keren. In hun ogen betekent monetaire eenwording niet alleen verlies van onafhankelijkheid, maar dreigt ze ook het Verenigd Koninkrijk te slopen. Labour dankt zijn overweldigende parlementaire meerderheid aan het eigenaardige karakter van het Britse kiesstelsel. In meer dan honderd kiesdistricten in Engeland bezit Labour een piepkleine meerderheid, die bij de volgende verkiezingen zonder twijfel verloren zal gaan. Engeland levert meer dan vijfhonderd van de in toaal 669 parlementszetels. Hoe meer Labour wordt geassocieerd met de belangen van Schotland en Wales, hoe meer zetels Labour waarschijnlijk zal verliezen in Engeland. Blairs kansen om die zetels te behouden hangen af van de vaardigheid waarmee de premier zich weet te presenteren als de man die weet wat de Engelse kiezer wil. Dat betekent dat hij zich sceptisch moet betonen met betrekking tot de Monetaire Unie, en dat is precies wat Blair thans doet. Na eerst geruchten te hebben gevoed dat het Verenigd Koninkrijk weleens spoedig tot de euro zou kunnen toetreden, verklaart de premier thans dat het ,,dwaas'' zou zijn om daarover in dit stadium te discussiëren. In persoonlijke besprekingen met andere politieke leiders uit de Europese Unie heeft Blair dikwijls aangevoerd dat zij zijn huidige behoedzame opstelling niet al te ernstig moeten opvatten: door zich nu stil te houden, beweert hij, legt hij de grondslagen voor een oprechte keus voor Europa.

Zelfs al zou Blair erin slagen tijdens de volgende parlementsverkiezingen de eurokwestie te vermijden, dan zou dat paradoxaal genoeg nog niet betekenen dat zijn zetelverlies in Engeland – dat onvermijdelijk is – niet zou worden geïnterpreteerd als een stem tegen de Europese munt. De Conservatieven zullen er zelfs alle belang bij hebben om het zo af te schilderen, en misschien weten zij het publiek nog wel te overtuigen. Daar komt bij dat vele zetels die Labour naar alle waarschijnlijkheid zal verliezen, thans worden bezet door de jongste lichting parlementariërs; op de zetels die Labour beslist zal behouden zitten de oudere politici, die meer bedenkingen hebben aangaande de euro. Blair zou weleens in hetzelfde lastige parket kunnen belanden waarin vroeger de Conservatieven zaten, die om een verdeelde partij bijeen te houden de eurokwestie omzeilden in plaats van haar aan te pakken.

Ernstiger nog is dat zich onvermijdelijk constitutionele problemen tussen Engeland enerzijds en Schotland en Wales anderzijds zullen voordoen. Op dit moment zijn die nog niet zichtbaar, omdat de recent ingestelde parlementen in Schotland en Wales nog bezig zijn uit te zoeken wat ze nu eigenlijk willen. Daar komen ze wel achter: meer geld uit Londen. Dat zal uitlopen op een verbeten strijd om middelen, waarin de premier er onophoudelijk van zal worden beschuldigd het ene rijksdeel voor te trekken ten koste van het andere. Hoe langer een referendum over de euro wordt uitgesteld, des te groter is de kans dat het debat over toetreding tot de Monetaire Unie verstrengeld raakt met het debat over de toekomst van het Verenigd Koninkrijk. Als dat gebeurt, zal Blair eerder verliezen dan winnen.

Verliest Blair het euroreferendum, dan zal dat de roep van Schotland en Wales om onafhankelijkheid alleen maar luider maken, want die twee landen zullen met enig recht kunnen beweren dat zij uitsluitend ter wille van de Engelsen buiten de Monetaire Unie worden gehouden.

Blairs besluit om een referendum over de euro uit te stellen – een besluit dat op dit moment niet al te problematisch lijkt – zou zich mettertijd kunnen ontpoppen als zijn grootste strategische fout. Het paradoxale is dat de Britse premier zijn volk slechts tot deelname aan de euro zal kunnen overhalen als de Britse economie in moeilijkheden komt. Wanneer dat zich voordoet, zal Blair in een onmogelijke positie verkeren om een effectieve referendumcampagne te kunnen voeren. Misschien heeft de Britse premier weer geluk. Maar hij laat wel erg veel aan het toeval over.

Jonathan Eyal is verbonden aan het Royal United Services Institute for Defence Studies in Londen.