Alleen op de wereld in tachtig dagen

Mijn beide zonen zijn nu al zo oud dat ik daar soms verdriet van heb. Onzin natuurlijk, een luxe verdriet, de jongste is nog maar tweeëntwintig. Maar ik verlang zo gewetenloos naar vroeger toen hij nog een hummeltje was. Bij het kiezen van een spelletje steevast zeggen: mogen we Mens je erg niet? Of: Jacob is al zeven jaar en hij gelooft nog steeds niet in Sinterklaas.

Ik weet dat zo'n verlangen naar vroeger niet door de beugel kan. Een volwassen zoon verdient een volwassen vader. En toch... de onbezonnen tijd van zijn jongenskiel is voorbij en dat stemt me, vooral nu hij in een ver en vreemd land zit en omringd door weet ik veel wat voor gevaren, treurig. Ach, alles wat voorbij is en voorgoed over, kan je droevig stemmen, vooral als je zo'n sentimentele dwaas bent als ik.

Herfstvakantie. Tien jaar geleden. We gaan samen op reis met de trein naar Frankrijk. Onder Parijs ligt Gambais, een kleine plaats waar Henri-Desiré Landru indertijd zeven vrouwen in een kolenfornuis tot as verbrandde en die in de tuin van zijn villa uitstrooide, geen botje bleef van hen achter. Hij had ze eerst vakkundig gefileerd. Ik schreef er een verhaal over en wilde alles wel eens ter plekke aanschouwen. Spannend of niet, voor een jongen van twaalf om zijn vadertje daarheen te begeleiden, naar deze in- en ingriezelige onheilsplek. Samen via Parijs en de Eiffeltoren; dat was nog eens wat anders dan die stomme Efteling.

Ik ben een wat onhandige reiziger. Ik vergis me nogal vaak. Ik wil wel eens in een lege trein gaan zitten en daar blijven zitten, zelfs als er na drie kwartier nog geen medereiziger te zien is en er maar steeds geen beweging te bespeuren valt. Vooral in het buitenland ben ik aan de stuntelige kant met overstappen en het interpreteren van de meestal onduidelijke reisinformatie uit de luidsprekers. Ik beheers weliswaar een paar elementaire uitdrukkingen in vreemde talen, maar die komen dan ter plekke in het geheel niet voor, nee, men heeft er zelfs vaak nog nooit van gehoord. Als ik daarmee voor de dag kom bijvoorbeeld bij een broos, oud boerenvrouwtje, dat nog nooit een elektrische locomotief heeft gezien, wil dat niet zelden de schrik van haar leven doen krijgen. Dat wordt dan zwaaien met de handbagage tot de perronopzichter gaat ingrijpen en vervolgens mijn trein vrolijk fluitend het station uitrijdt.

Mijn zoon Daantje is kordaat. Hij neemt me bij de hand en loodst me vastberaden op Gare du Nord feilloos naar de uitgang waar de taxi's staan en noemt zonder haperen de naam van het station waar we moeten overstappen.

In een grotere plaats in de buurt van Gambais heb ik een hotelletje voor ons gereserveerd. Het is al bijna avond en weldra zitten we aan tafel. Hij bestelt als voorgerecht slakken en leest hardop in bijna feilloos Frans mijn hoofdgerecht uit de menukaart voor. Hij corrigeert me als ik hersens of ingewanden in zure wijnsaus ga bestellen. ,,Eet toch konijn met paddestoelen, daar ben je toch gek op en drink niet zo haastig, je bent al bijna door je eerste fles wijn heen. Morgen heb je weer een kater. We moeten nog ten minste tien kilometer lopen.''

De volgende dag, prachtig herfstweer. Een glooiend landschap. Roodgele bomen. Asters, de geur van rottend fruit en herfstdraden waar ik zo melancholiek van word. Spleen waar ik mijn hele leven onder gebukt zal gaan in dit jaargetij, maar met Daan heb ik er hoegenaamd geen last van.

Beken ruisen. Daar wandelde Landru met een van zijn doodsgeliefden langs, als hij geen fietsen huurde, waarvan hij er altijd eentje voortijdig bij de fietsenmaker in Gambais terugbracht. Daan vindt mijn verhalen maar wat spannend en bij elke stap die we dichter bij het onheilsdorp komen, dat er in de verte zo vredig bij ligt, stijgt bij ons beiden de spanning. Ik kan smeuïg over heel enge dingen vertellen, Frau Holle ging er in mijn kindertijd in als koek en als mijn zusjes niet meer verder durfden te luisteren, kippenvel kregen en wit werden van angst, verlangde ik alleen maar naar meer en nog meer. Daan lijkt op zijn vader, ook zijn onschuld kent de angst voor het griezelen niet: wanneer zijn we nu eindelijk eens bij het huis waar alles is gebeurd?

Ik heb een boek bij me met een afbeelding van de villa waar in het keuken het fornuis stond. Een vrouw die wist te ontsnappen aan het arsenaal van ontleedmessen en zagen van de Meestermoordenaar, vertelde aan haar vriendin: `Op een stille avond in Gambais vroeg hij me in een leunstoel te gaan zitten, mijn hoofd achterover. Mijn haar moest ik losmaken en over de stoelleuning laten neerhangen. Hij knielde voor me neer, staarde me aan met zijn duistere, doordringende blik. Bijna viel ik flauw. Alsof ik de macht over mezelf verloor. Ik kon me niet bewegen. De volgende dag voelde ik me nog duizelig.' Later zat ze weer in die leunstoel in Gambais. Niemand die haar ooit terugzag. Dom. Dom.

Verdraaid, daar staat zijn huis. Hoge afrasteringen en nog hogere hagen. We kijken door het afgegrendelde toegangshek. Keurige tuin, aangeharkt grind. Zouden daar onder die bosjes nog resten liggen van... Er staat een babybox. Een autoped ligt op de grond. Kinderspeeltjes. Het valt Daantje bitter tegen. ,,Jouw verhalen zijn veel spannender.'' In het dorp gaan we eten. Formicatafels waar je bij elkaar aanschuift. We doen de boeren na en gooien een flinke scheut rode wijn in onze soep. De biefstuk is wel erg saignant. Daan vraagt in hoe kleine stukjes Landru een vrouw nu eigenlijk sneed, voordat ze de kachel inging. Zeg hé, we zitten hier te eten! ,,Misschien heeft hij ze wel opgegeten'', zegt hij met zijn mond vol. ,,Ze hebben er toch niks van teruggevonden?''

In de trein, terug naar Amsterdam, zitten we als vriendjes naast elkaar bij het raam. ,,Weet je dat ik deze reis nu nog spannender vond dan Alleen op de wereld in tachtig dagen, pa?''