Studiehuis is verre van een pedagogische vergissing (2)

In het studiehuis wordt de concrete vakkennis niet naar het tweede plan verbannen, meent Piet Delhoofen. Bovendien leert, volgens Sharon Dijksma, de ervaring dat mensen veel meer onthouden en begrijpen van informatie waarmee ze zelfstandig en actief aan de slag zijn gegaan.

Als voorstander van het studiehuis neem ik graag stelling tegen de bezwaren van Willem Smit (NRC Handelsblad, 24 augustus). Smit redeneert ongeveer als volgt: het studiehuisdebat kende een `valse start', een groepje ambtenaren, behept met actiegroepenjargon, kookte sinds 1994 alles voor en de minister duwde het door de strot van de slecht geïnformeerde Kamer, kritiek van belangrijke pedagogen wordt weggemoffeld en docenten en ouders worden voor het blok gezet. Verder deugt het inhoudelijk niet en is niks onderzocht. Deze redenering gaat mank.

Ten eerste is de invoering van het studiehuis volgens democratische regels verlopen. Iedereen die iets met onderwijs te maken heeft was vanaf begin jaren negentig op de hoogte in welke richting de vernieuwingen zouden gaan: pedagogisch didactische vernieuwingen en het afschaffen van de vrije pakketkeuze. De minister stelde in 1993 een stuurgroep in, die drie jaar lang met alle betrokkenen heeft gepraat. De stuurgroep deed voorstellen en het parlement besliste.

Ten tweede is met de meningen van schoolleiders, docenten, ouders en leerlingen wel degelijk rekening gehouden. Voorts gingen pas in 1999 (en niet in 1994) de ambtenaren van het PMVO aan de slag en wel op een zeer gedreven manier. Wat Smit als hun actiegroepentaal typeert is grotendeels terug te vinden in het begrippenkader van de hedendaagse leertheorieën: het constructivisme en de cognitieve leertheorieën vallen niet vanzelfsprekend onder actiegroepentaal. Ten vierde is het onjuist te stellen dat de onderbouwing van al dit fraais ontbreekt en dat met name het Maastrichtse model nooit is onderzocht. Het Tijdschrift voor hoger onderwijs van april 1999 bevat meer dan honderd literatuurverwijzingen. Minstens tien onafhankelijke onderzoeken hebben expliciet betrekking op `Maastricht' evenals minstens tien proefschriften.

Tot slot is het feitelijk onjuist dat de Kamer zich in 1998 uitsluitend liet informeren door het PMVO. En ten overvloede: de onderwijsinspectie rapporteerde aan de minister en niet aan het PMVO.

Smit schrijft dat ,,belangrijke pedagogen als Imelman'' op negatieve ervaringen ,,met dit type onderwijs'' wijzen. Waarschijnlijk doelt hij op een onderzoek uit de jaren '20 in de VS. Andere belangrijke pedagogen zoals Dewey, Petersen, Montessori, Doornbos, Stevens en recent Wijnen komen evenwel tot andere resultaten. Ook is de bewering onjuist dat het studiehuis de concrete en beproefde vakkennis naar het tweede plan zou verbannen. Er zijn juist vakken en extra eisen zoals het dossierdiploma bijgekomen. De opvatting dat ,,het al doende leren een pedagogische vergissing is'' staat haaks op de hedendaagse onderwijskundige literatuur. Voor veel leerlingen is er geen andere manier van leren. Leerlingen verschillen in leerstijlen en het studiehuis doet juist recht aan die individuele verschillen. Voorts stelt Smit dat het studiehuis een miskleun is, omdat het voorbijgaat aan de stelling dat vaardigheden niet kunnen zonder kennis. Maar niemand beweert dat. Wel is het zo dat vaardigheden die jonge kinderen zich eigen maken, geleerd worden zonder dat daar theorie aan voorafgaat. Eerst doen, ervaren, beleven en dan pas leren blijkt leerlingen juist te motiveren.

Tenslotte de ouders. Is het wel fair om te stellen dat ,,de oppervlakkige belangstelling van de ouders de kern van de zaak is?'' Als voorzitter van een oudervereniging heb ik ervaren dat inderdaad veel ouders andere zaken aan hun hoofd hebben dan moderne leertheorieën. Maar ze interesseren zich wel degelijk voor het welzijn van hun kinderen. Ze willen graag kunnen vertrouwen op de schoolleiding en de docenten. Dat vertrouwen groeit als deze openstaan voor discussie en kritiek. En daar is op veel scholen nog wel een hobbel te nemen. Juist docenten zullen, ook buiten de koffiekamer, met elkaar in discussie moeten over hoe ze onderwijs geven.

Piet Delhoofen is onderwijsconsulent aan de TU Eindhoven.