Studiehuis is verre van een pedagogische vergissing (1)

In het studiehuis wordt de concrete vakkennis niet naar het tweede plan verbannen, meent Piet Delhoofen. Bovendien leert, volgens Sharon Dijksma, de ervaring dat mensen veel meer onthouden en begrijpen van informatie waarmee ze zelfstandig en actief aan de slag zijn gegaan.

In NRC Handelsblad van 24 augustus noemt Willem Smit het studiehuis een miskleun die zal leiden tot intellectuele versoaping. Van iemand die zich zo keert tegen versoaping zou men enige zorgvuldigheid verwachten. In Smits betoog is die zorgvuldigheid echter achterwege gebleven. Hij stapelt pertinente onjuistheden op halve waarheden teneinde zijn argumentatie kracht bij te zetten.

Zo goochelt Willem Smit in zijn weergave van het studiehuisdebat met de chronologie, doet hij geen recht aan de brede discussie die werd gevoerd met alle mogelijke deskundigen en gaat hij achteloos voorbij aan de kennis die Kamerleden plegen op te doen buiten de Kamerstukken om. Niet tot 1994 maar tot augustus 1996 trad de Stuurgroep Profiel Tweede Fase op de voorgrond met plannen voor de vernieuwing van de bovenbouw van Havo en VWO en dat werd vervolgens met verve overgenomen door het Procesmanagement Voortgezet Onderwijs (PMVO). Terwijl Smit een beeld schetst waarin geen plaats was voor toets van de experts, werd juist met alle mogelijke betrokkenen van binnen en buiten het voortgezet onderwijs van gedachten gewisseld. De nieuwe ontwikkeling van de inhoud van de vakken is bijvoorbeeld door vooraanstaande deskundigen en praktizerende docenten in gang gezet. Waar hij doet alsof de Tweede Kamer zich bij de laatste stemming in 1998 uitsluitend liet informeren door of via het PMVO, miskent hij de vele geluiden die Kamerleden bij brieven, gesprekken en werkbezoeken opvingen van de eerste ervaringen van de 123 scholen die in 1998 startten met de Tweede Fase.

Er is veel mis bij de aansluiting tussen het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs. Op het HBO strandt de helft van de mensen met een Havo-diploma. Op de universiteit behaalt pas na zeven jaar studeren iets meer dan de helft van de VWO-ers zijn of haar bul. Dat betekent dat de Havo- en VWO-scholen hun leerlingen tot nu toe onvoldoende voorbereiden op de kennis, het inzicht en de vaardigheden die in het hoger onderwijs nodig zijn.

Daarom zijn mede in nauw overleg met de instellingen voor hoger onderwijs voorstellen geformuleerd om Havo en VWO te verbeteren: de vrije pakketkeuze is ingeperkt tot vier zogeheten profielen die beter zijn toegesneden op verschillende vervolgstudies, de inhoud van alle vakken is beter aangepast aan de eisen van deze tijd en er wordt gewerkt in de richting van zelfstandiger werkvormen.

Dit laatste wordt aangeduid met de term studiehuis en hierop richt Smit zijn pijlen. Zijns inziens wordt vakkennis verbannen naar het tweede plan. Een enkele blik in de nieuwe examenprogramma's had hem kunnen leren dat deze bij alle vakken juist veel gedetailleerder dan voorheen vakkennis voorschrijven.

De ervaring leert bovendien dat mensen veel meer onthouden en begrijpen van informatie waarmee ze zelfstandig en actief aan de slag zijn gegaan dan praatjes die ze passief hebben moeten aanhoren. Zo versterken vakkennis en de zelfstandige werkvormen in het studiehuis juist elkaar.

Het studiehuis is een goede discussie waard en de voorstellen zullen in de loop van de tijd zeker op sommige punten kunnen worden verbeterd. En daarom is de invoering ervan ook een proces dat de nodige jaren zal vergen. Scholen hebben daarom ook de vrijheid om naar eigen inzicht in de werkvormen te variëren, opdat geen enkele leerling onnodig buiten de boot valt.

Een goede discussie is gebaat bij een correcte voorstelling van zaken. Tegenstanders van het studiehuis vermeien zich echter in het bestrijden van karikaturen, zonder overigens enige reële oplossing aan te dragen voor de problemen van de bestaande situatie. Was in het debat over het studiehuis geen plaats voor de toets van experts? Misschien niet voor dàt soort experts, maar de vraag rijst of dat zo erg is.

Sharon Dijksma is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de PvdA-fractie.