Staat en zekerheid

DE DALING VAN het aantal arbeidsongeschikten is gestopt. Het ziekteverzuim neemt weer toe. En het beleid om meer (gedeeltelijk) gehandicapten aan het werk te krijgen is weinig succesvol. De treurig stemmende Augustusrapportage Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen van het College van toezicht sociale verzekeringen (CTSV), waarin dit alles werd geconstateerd, moest het deze week duidelijk afleggen tegen de juichtonen over de economische ontwikkeling. De sociale-zekerheidswetgeving faalt op belangrijke onderdelen. Maar omdat er dankzij de voorspoedige groeicijfers geen sprake is van een betaalbaarheidsprobleem lijkt het vraagstuk opeens minder urgent.

Om het geheugen op te frissen: de beruchte WAO-crisis in de politiek speelde zich begin jaren negentig af tegen de achtergrond van 800.000 arbeidsongeschikten. Op dit moment telt Nederland bijna 900.000 arbeidsongeschikten. Natuurlijk zeggen dit soort absolute getallen niet alles. Er moet, om de vergelijking zuiver te houden, ook rekening worden gehouden met de forse groei van de beroepsbevolking. Maar verontrustend in de jongste rapportage van het CTSV is nu juist dat het percentage arbeidsongeschikten ten opzichte van de beroepsbevolking voor het eerst sinds 1993 niet meer daalt.

Nog verontrustender is dat het toezichthoudende college de gebrekkige uitvoering van de sociale-zekerheidswetgeving aanvoert als een van de oorzaken van de groei van het aantal arbeidsongeschikten. Dit betekent in feite dat de discussie over een doelmatiger uitvoering van de sociale zekerheid – begonnen met de parlementaire enquête van 1993 – weer terug bij af is.

DE CONCLUSIE VAN de enquêtecommissie onder leiding van het Kamerlid Buurmeijer luidde destijds dat de in Nederland gegroeide uitvoeringsstructuur een activerend sociale-zekerheidsstelsel in de weg stond. Heel het systeem, met zijn ondoorzichtige verdeling van verantwoordelijkheden, ging vervolgens op de schop. Kern van de operatie was dat uitvoering en toezicht van elkaar werden gescheiden. Daarnaast zouden vormen van concurrentie worden geïntroduceerd. Het verdere verloop is bekend. Er werd de afgelopen jaren gereorganiseerd, geprivatiseerd, gedelegeerd en volop gefuseerd. De bedrijfsverenigingen met hun stoffige imago bestaan inmiddels niet meer. Ze zijn vervangen door (gedeeltelijk) private uitvoeringsinstellingen waarin het marktdenken vooralsnog vooral tot uiting is gekomen in nieuwe kantoorpanden, organisatieadviseurs, mission statements en niet te vergeten de directiesalarissen. Maar gepresteerd of – om in het eigentijdse jargon te blijven – geleverd is er nauwelijks, getuige de bevindingen van het CTSV.

DE GROTE VRAAG is thans: hoe verder? Dat de politiek het ook niet meer weet blijkt uit de impasse die dit voorjaar is ontstaan. De notitie Structuur Uitvoering Werk en Inkomen van de bewindslieden van Sociale Zaken riep zoveel vragen op dat concrete voorstellen over de verdere inrichting van het sociale-zekerheidsstelsel deze kabinetsperiode nauwelijks nog zijn te verwachten.

De bedoeling was helder. Om mensen met een uitkering weer in het arbeidsproces opgenomen te krijgen, zouden zij met zo min mogelijk drempels moeten worden geconfronteerd. Hieruit vloeide de één-loketgedachte voort. Werklozen en arbeidsongeschikten konden bij één instantie terecht voor zowel hun uitkering als de bemiddeling naar werk. Hoewel het simpel klinkt, blijkt de praktische vormgeving aanzienlijk weerbarstiger. In de ideeën van het kabinet was sprake van een diffuus onderscheid tussen het publieke en het private domein. De terechte vrees van een groot deel van de Tweede Kamer was dat er slechts een nieuwe uitvoeringsbureaucratie zou ontstaan.

Tot zijn essentie teruggebracht is het probleem van de boedelscheiding in de sociale zekerheid – dat zich al begin jaren vijftig manifesteerde – nog steeds niet opgelost. Het is aan de ene kant de overheid die de hoogte en de duur van de uitkeringen en alle daarmee samenhangende zaken vaststelt. Aan de andere kant betreft het werknemersverzekeringen en is er dus ook een rol weggelegd voor het georganiseerd bedrijfsleven. Nieuw is het aspect van de geprivatiseerde uitvoering.

HET PRIVAAT UITVOEREN van collectieve regelgeving blijkt minder voor de hand liggend dan enkele jaren geleden werd verondersteld. In de deze week gepresenteerde rapportage van het CTSV wordt opgemerkt dat de organisaties die belast zijn met de uitvoering weinig speelruimte hebben om hun taak goed te kunnen vervullen. De wijze waarop de uitvoering van de wettelijke regels is vormgegeven is soms belemmerend voor de effectiviteit van die regels, stelt het college.

Vijf jaar geleden omschreef de socioloog Schuyt het Nederlandse sociale-zekerheidsmodel als een subtiel evenwicht tussen een ruig individualisme en een immobiel makend collectivisme. Daarna is de grote reorganisatie begonnen. Maar getuige de bevindingen van het CTSV is het immobiel makende collectivisme aan de winnende hand. Een heldere verdeling van verantwoordelijkheden, daar gaat het om in de sociale zekerheid. Daarbij horen heldere afspraken. Daar ontbreekt het nog steeds aan.