Rosa

Ooit is onze poes Rosa in de binnentuin van de boekhandel begraven. Het was toen nog een verwilderd stuk tuin, een plek tussen achtertuinen van de bewoners in het centrum van Rotterdam. Er stond een kastanjeboom van meer dan 120 jaar. Een van de buurtbewoners had daar een vijver gegraven, met geheimzinnig zwart water. Het wemelde er van de hortensia's en katten in alle kleuren. Er waren veel onduidelijke struiken en manshoge berenklauwen.

Laat in de avond leek het vanuit mijn raam tweehoog een oerwoud met schaduwen en geluiden die je daarbij fantaseerde. En helemaal achteraan lag Rosa vlakbij een bedje kaasjeskruid.

Toen Rosa een hartaanval kreeg bovenop de driedelige Van Dale waarin ik de Latijnse naam zocht voor de plant ossetong, anchusa, ik vergeet het nooit meer, was het een prachtige dag. Een korenbloemblauwe lucht en een zacht windje. De takken van de kastanjeboom filterden de zon. Alles leek heel idyllisch. In een kleine optocht liepen we door de tuin. De broer van mijn collega met zijn spade voorop. Wij van de boekhandel sjokten er zenuwachtig achteraan.

Ik had mijn kleine nichtje te logeren. Met een wit gezichtje keek ze almaar in de kartonnen doos waar Rosa in lag. Ik beloofde haar diezelfde dag naar de markt te gaan. Daar zouden we drie mooie rozenstruiken kopen om op het graf van Rosa te planten.

De rozen heetten Rosa Virginia, Rosa Gentiana en het toepasselijke Rosa Longus Pis.

Toen we ze voorzichtig in de grond zetten, we durfden niet zo diep met de spade, zongen de vogels snerpend hun lied, alsof ze blij waren van deze jager verlost te zijn.

Drie weken daarna ontdekte men dat er lood in de grond zat, afval van loodwitfabriekjes die daar in de zestiende eeuw stonden. De kinderen die in de tuin speelden zouden, in plaats van zandtaartjes, loodtaartjes bakken en dat was schadelijk voor de gezondheid.

Alles was in rep en roer. Er werd een laag grond van wel 70 cm afgegraven. Van de veertig volwassen bomen zijn er tien behouden door het uitspoelen van de wortels. De kastanjeboom die er 120 jaar stond ging dood. De buurtbewoners keken uit hun raam naar een lege plek. In de tuin stond een modderige laag water waarin de overgebleven bomen zichzelf niet konden zien.

De drie rozenstruiken werden door een graafmachine vernietigd. En ik stond de dag daarna in de bouwkeet die voor de winkel was geplaatst. Er zaten drie mannen te schaften. Ik vertelde wie ik was en dat de rode poes van de boekhandel daar begraven was. Of ze de botjes van haar wilden bewaren die ze op die plek vonden, dan kregen ze een nieuwe plaats, dan zouden we er lynchis chalcedonia, brandende liefde, op planten. Dat het heel belangrijk was voor mij en voor de klanten van de boekhandel en ook nog voor Rotterdam want iedereen had de poes jarenlang in de etalage gezien. Zo stond ik maar te stamelen. De mannen aten de ene na de andere boterham, dronken koffie uit de dop van hun thermosfles. Je zag ze denken: wat een raar wijf.

Uiteindelijk zei er een met volle mond, dat hondenbotten veel langer goed bleven in de aarde.

Toen viel er een diepe stilte.

Dagen later kwam de jongste van de drie een plastic zakje brengen. De anderen stonden breed grijnzend voor de etalage. In het zakje zaten afgekloven kippenbotjes.

Door de gemeente werd een parkje aangelegd. Weer veel prikstruiken en heesters aan de rand. Door de bewoners werd een schitterende wilde bloementuin gemaakt.

Zelf vinden ze het meer een rariteitenkabinet: gulden roede, rozen, geitebaard, jacobsladder, wolfsmelk, valeriaan, schoenlappersplant, ooievaarsbek, juffertje in 't groen, kattekruid, stinkende gouwe, het rampzalige zevenblad, komkommerkruid, kogeldistel, en zo kan ik nog wel eindeloos doorgaan. In het midden kwam weer een kastanjeboom, maar nu een kleintje.

Een van de bewoners had in zijn aangrenzende tuin een vogelhuis gemaakt met een vijver. Zijn kippen liepen vrij rond in de binnentuin. Ook na Pasen vonden we nog vaak eieren. Hij had witte konijnen die nog veel vrijer door de tuin huppelden. Ze vermenigvuldigden zich bij de vleet. Als het ging schemeren zag je overal witte staartjes en oortjes. Kinderen dachten dat ze in een Beatrix-Potterboek waren beland.

Later kwamen daar nog zebravinken, kwartels, diamantduifjes en nog meer Oudhollandse krielkippen bij. En natuurlijk een haan, in de morgen de hardste wekker van de stad.

Diezelfde buurman vond dat hij voor zijn vijver een zuiveringssysteem moest bedenken. Hij wilde proberen het op een natuurlijke wijze op te lossen. Vanuit de verhogingen in de wilde tuin bedacht hij een stromend bergbeekje. Het water zou via een pomp tussen grindbedekking, stenen en planten, door het vogelhuis heen, weer schoon terugkomen in de vijver. De vogels zouden op die manier elke dag vers water krijgen

Hij had toen nog geen idee dat zijn plan verwezenlijkt zou worden.

Peace Trees, zo gaat het verhaal, is begonnen bij een rijke maharadja die in Parijs woonde. Toen hij overleed liet zijn vrouw van de nalatenschap in Zuid-India een stad bouwen. De stad heet Auroville en is gebouwd in spiraalvorm. Midden in die spiraal staat een pot. Vanuit de hele wereld worden jonge mensen opgeroepen om daar een zakje met hun geboortegrond in te deponeren. Jaarlijks steunt Peace Trees Lowlands ergens een ecologisch project.

In 1996 hadden ze voor een binnenstadsproject gekozen in Rotterdam. Via de opbouwwerker in de wijk Cool hoorden ze van dit plan. De gemeente vond het interessant en kwam over de brug met de materiaalkosten. De tuin werd weken bevolkt door allerlei nationaliteiten die de hele dag keihard werkten. 's Avonds zag je ze gezamenlijk picknicken.

Resultaat was een klaterende beek. Op het laatst plantten ze een bonte tamme kastanje met een bordje van alle landen die hadden meegewerkt.

De binnentuin is een paradijsje geworden. Een stille plek in de stad waar iedereen tot rust komt. Waar de Marokkaanse buurman zijn koriander zaait en waar kinderen madeliefjes plukken om een kransje voor hun haar te maken. Waar de poezen van allerlei buren in het gras liggen te soezen en de vogels af en aan vliegen. Hier zijn nog genoeg mussen. Soms is er een reiger of een valk, boomklevers en bijzondere glanskopmezen.

In een van de omliggende huizen is het Leger des Heils gevestigd. Op een mooie dag lig je in het gras met je ogen dicht, boek dichtgeslagen op je borst. Het murmelende beekje naast je. En dan hoor je die omfloerste trompet en dat monotone zingen van het Leger des Heils. Dan kan je niet al te ongelukkig zijn.