Ramp

ZEVEN WEKEN geleden heb ik u de vraag voorgelegd waarom het toekennen van adv, arbeidsduurverkorting, aan onderwijzend personeel onzin is. U kreeg van mij de hele vakantie de tijd om daar over na te denken en nu is eindelijk voor u het bevrijdende moment aangebroken dat u uw antwoord kunt vergelijken met het mijne.

De adv is bedoeld om de werktijd terug te dringen. Dat streven werd indertijd ingegeven door het motief dat het goed is voor de werkgelegenheid. Individuele leraren werden gedwongen geld in te ruilen voor vrije tijd. Dit terwille van hun broeders en zusters die in gedwongen niets doen aan de kant stonden te trappelen om mee te mogen onderwijzen.

Inmiddels staat niemand meer werkeloos langs de kant. Integendeel: wie wel bevoegd is, maar niet in het onderwijs werkt, heeft van de staatssecretaris de smeekbede ontvangen een baan in het onderwijs in welwillende overweging te willen nemen.

De adv verplichtte leraren te doen waartoe iedere leraar ook afzonderlijk had kunnen besluiten, namelijk in ruil voor geld minder gaan werken. Nu het motief van de werkgelegenheid niet langer geldt, is er geen enkele reden het te handhaven. Wie dat wil, moet dus als dat mogelijk is, weer volledig kunnen gaan werken en bijbetaald krijgen wat hij vroeger heeft ingeleverd. Onder dankzegging voor de aan de werkgelegenheid bewezen diensten. En wie dat niet wil, die doet dat niet. Hiermee wordt een heel wat betere bijdrage geleverd aan het terugdringen van het lerarentekort dan met het schrijven van tienduizenden brieven. Bovendien strookt dit ook met mijn opvatting dat je mensen zoveel mogelijk de ruimte moet geven zelf te bepalen hoe hun leven in te richten.

Maar nog belangrijker dan dit alles is de bijdrage die hiermee wordt geleverd aan de kwaliteit van het onderwijs. De adv is namelijk een onderwijskundige ramp. De invoering ervan vormt het zoveelste bewijs dat, als het erop aankomt, de zorg voor het onderwijs ondergeschikt wordt gemaakt aan vakbondswensen. Door de adv hebben de scholen het karakter gekregen van een duiventil met de hele dag door in- en uitfladderend personeel. Door, zoals in Diemen gebeurt, iedereen te verplichten eens in de twee weken op vrijdag uit te fladderen krijg je rust in de tent, maar het is natuurlijk de wereld op zijn kop dat zoiets wordt ingevoerd niet omdat het onderwijskundig goed is maar omdat scholen door rechtspositionele afspraken voor het blok zijn gezet. In mijn laatste column schreef ik dat ik, als ik Kamerlid was geweest, dit al veel eerder aan de orde had gesteld dan naar aanleiding van de vierdaagse schoolweek. D66-Kamerlid Ursie Lambrechts e-mailde mij een passage uit een overleg van de Kamercommissie met Ritzen voorjaar 1998. Zij sloeg de spijker op zijn kop toen zij hem retorisch vroeg: `Hoe oordeelt de minister over het feit dat afspraken die gemaakt zijn in het kader van een CAO, de inhoud en de organisatie van het onderwijs gaan dicteren en dat al degenen die er niet aan deelnemen, zoals de ouders, volledig buitenspel staan.'

Als het gaat om onderwijs, heeft de minister dankzij ons veel geprezen poldermodel te maken met maar één serieuze tegenspeler, de bonden. Niet de onderwijskundige wenselijkheid staat voorop, met ouders wordt al helemaal geen rekening gehouden. Die situatie bestaat al decennia en heeft in het verleden al veel vaker geleid tot maatregelen die evident slecht waren voor het onderwijs. De Kamer is daar, uit angst voor diezelfde bonden, steeds mee akkoord gaan. Het valt te hopen dat de adv-kwestie ertoe bijdraagt dit monopolie te doorbreken.