Puinhoop van Babel

Grote, niet te achterhalen momenten uit de wereldgeschiedenis. Er was eens een koning van Babylon. Op een dag, ik veronderstel bij zonsopgang, en hij was een jaar of 35, is het van de ene seconde op de andere in hem opgekomen: ik ga een toren bouwen, hoger en groter dan alle andere torens. Dat is de Toren van Babel geworden. De korte, meeslepende toelichting staat in Genesis 11, 1-9.

Wie meer van de Toren wil weten, kan er een van de tientallen boeken over lezen, of naar het museum Boymans-Van Beuningen gaan waar het schilderij van Pieter Bruegel hangt. De hoogste verdiepingen steken boven de wolken uit. Ik kan er niet genoeg van krijgen, evenmin als van andere torenvoorstellingen trouwens, en van de geschiedenis, een universeel verhaal van bouw- en verwoestingslust. Maar ik dwaal af. Het gaat over historische ogenblikken. Om nog één voorbeeld te geven, de seconde van het Napoleontische denkbeeld: naar Moskou! `Ook de grootste reis begint met de eerste stap,' zegt Mao Zedong in het Rode Boekje. Het is een waarheid als een koe, maar tegelijkertijd met de zwaarste lading. De droom verandert in werkelijkheid, de virtuele geschiedenis maakt plaats voor de echte. Daaraan ten grondslag, in de duisternis onder een schedeldak, ligt de seconde van de conceptie.

Waarom zou je dus bij voorbaat twijfelen aan de Amsterdamse plannen om onder de Dam `een soort omgekeerd Guggenheim' te bouwen? Er zijn al twee projectontwikkelaars die erop studeren en de gemeente heeft er oren naar. Een groot verblijfs- en loopgebied zoals onder de torens van het Wereldhandelscentrum in New York lijkt me wel wat. Een soort Guggenheim hebben in Amsterdam al: de parkeergarage aan de Marnixstraat. En dus: waarom niet zoiets onder de Dam.

Ik ben de advocaat van de Duivel. Ten eerste zou het de eer van de `kleine metropool' - zoals Amsterdamn zich graag noemt - te na moeten zijn om `een soort' te willen hebben, waarbij voor de oorsprong naar het buitenland wordt verwezen. `Een soort Place du têrtre' wordt het `kleine Leidseplein' nog wel eens genoemd. Amsterdam is `het Venetië van het noorden'. Nee, als we dan toch zo'n constructie moeten gebruiken - op zichzelf al zwak - dan is het Place du têrtre het kleine Leidseplein van Amsterdam, en Venetië het Amsterdam van het Zuiden, en de Empire State Building de Rembrandttoren van New York.

Dan, ten tweede, komen we op de Dam zelf. Die `gaat sowieso weer op de schop', heeft het gemeentebestuur laten weten. De laatste keer dat het nationale plein door deze poldervloek werd getroffen, was toen de `Damsteentjes' werden vernieuwd, en het op die manier bestrate gebied tot de trappen van het Paleis werd uitgebreid. Nadat de Dam weer van de schop af was, bleek dat de gemeente de verkeerde stratenmakers aan het werk had gezet. Die hadden geen verstand van het bijzondere patroon. We zijn ongeveer twee jaar verder en 1,2 miljoen armer, menig steentje ligt nog altijd los, zoals ik precies weet omdat ik er zeven maal per week twee maal per dag overheen loop. Maar laten we er niet over mopperen. Er is één ding erger dan je nek breken over een gaatje in de Dam nadat je pakje sigaretten in de tram is gerold, en dat is: over zulke ervaringen mopperen. Je woont in een kleine metropool en als je dat niet bevalt, donder je maar op.

Het is op een van die hittegolfochtenden van de prachtige zomer 1999. Schrijver dezes stapt om een uur of acht voor de Bijenkorf uit de tram, nadert het Paleis en ziet hoe onder de bogen van de ingang de daklozen ontwaken, terwijl een van deze cosmopolieten in zo'n comfortabele hoek naast het entree al zijn behoeften zit te doen. Een beetje baldadig geworden door de lokroep dezer dageraad, geeft hij een schop tegen een leeg bierblikje. Dit rolt lawaaiig in de richting van een bankje waarop nog iemand ligt te slapen. Ruw ontwaken. De man wordt boos, nadert en maakt aanstalten tot het uitdelen van een kopstoot. Begrijpelijk. Schrijver dezes kiest het hazenpad. Het loopt goed af. Het is trouwens alweer een poos geleden en intussen is er veel gebeurd.

Het Museumplein is klaar. Er zal hier en daar wat over te klagen zijn, maar ik vind het prachtig en dat heb ik niet onder stoelen of banken gestoken. Het opkomend gras is maandenlang door een stevig hekwerk tegen mensenvoeten beschermd geweest. Toen, een week geleden, werd het plein feestelijk geopend. Iedereen, de bouwers, architecten, omwonenden, de rest van de stad had zo'n feestje verdiend. Maar - schrijver dezes zweert het - hij kon zijn ogen niet geloven. Draaimolens! Verkleedpartijnen. Hatsekiedee! Dat hebben we het hele jaar al op de Dam. En op het ogenblik dat u dit leest is de totale verplettering van het grote grasveld aan het cultuur- kunst- en loltrappen van de Uitmarkt prijsgegeven. `We denken aan een evenementenbeleid,' zei een wethouder van de Deelraad.

Een soort omgekeerde Toren van Babel, ondersteboven onder de Dam, dat is een uitstekend idee. Graag wil ik de opening meemaken. Maar ik meen het in de diepste ernst: het ontbreekt hier niet aan grote en geweldige plannen, en vaak worden ze uitgevoerd. Maar dan komt het moeilijkste: het onderhoud van het voltooide, en als ooggetuige weet ik dat wat met vlijt en geestdrift is opgebouwd, dan in een puinhoop kan veranderen. Dat is een jammerlijk gezicht. Doe daar eens iets aan, en noem het desnoods evenementenpolitiek.