Onze Turken

Turkije was donderdagavond dichterbij dan ooit. Men zegt dat geografische afstanden niet meer bestaan dankzij de moderne communicatie- en vervoersmiddelen. Izmit is nauwelijks moeilijker te bereiken dan Giethoorn. Maar in de belevings- en gevoelswereld dringen deze veranderingen niet zo snel door. Zijn wij allemaal wereldburgers geworden dankzij de televisie, Internet, de mobiele telefoon? Vergeet het maar. Zo snel gaat dat niet. De etnische, historische, religieuze afstanden tussen groepen mensen, zelfs als ze op elkaars lip wonen, lijken onafzienbaar en soms onoverbrugbaar. In Kosovo bijvoorbeeld leven buren in verschillende, door haat begrensde, werelden.

Turkije kwam dichter bij Nederland als gevolg van de aardbevingsramp. Het klinkt cynisch om in verband met deze catastrofe van een mogelijk gunstig bijverschijnsel te spreken, maar wie geen vreemde is in, pakweg, de Amsterdamse Kinkerbuurt, moet de hartelijke belangstelling voor en het medeleven met Turkse buurtgenoten zijn opgevallen.

Journalisten hanteren vanouds het nabijheidsbeginsel: hoe dichterbij een gebeurtenis zich afspeelt, hoe meer aandacht de media eraan schenken. De redenering is dat het publiek het meest is geïnteresseerd in wat zich om de hoek heeft afgespeeld. Identificatie, daar draait het om. Daar is niet speciaal fysieke nabijheid voor nodig: als een Nederlandse atleet in Sevilla iets wint, is dat voor een sportredactie belangrijker dan een nieuw wereldrecord van een Argentijn in Breukelen. Volgens een bekende overlevering hing in de redactieburelen van een Britse krant (welke weet ik niet meer), een bordje met de tekst: `News is what happens to one Englishman, ten Germans or one thousand Indians'. Ook volgens deze standaard is het schokkend nieuws wat er met tienduizenden Turken gebeurde, maar er kwam volgens de Wet van de Nabijheid een belangrijke factor bij: er waren ook Turken van ons onder de slachtoffers en al onze Turken hebben verdriet.

Er bestaat een anekdote over de Februaristaking van 1941, toen Amsterdam massaal in actie kwam tegen de deportaties van joodse stadgenoten, die altijd ambivalente gevoelens bij me heeft opgeroepen. Volgens dit verhaal stond er tijdens de staking op een muur gekalkt: `Rotmoffen, blijf met je rotpoten van onze rotjoden af!' Er blijft een moeilijk te bevatten tegenstrijdigheid aanwezig in deze hartekreet. Het is een ontroerende uiting van solidariteit en saamhorigheid, maar tegelijk een bewijs van een ook onder de moedige Amsterdammers van die tijd openlijk aanwezig antisemitisme. Waarschijnlijk zegt de anekdote iets over de stand van de vooroorlogse integratie van de joodse bevolking, in de ogen van andere Amsterdammers kennelijk `anders, maar wel van ons'.

Zegt de nationale inzamelingsactie voor Turkije — en alles daar omheen — iets soortgelijks over de mate van integratie van Turken in Nederland? Eén ding is zeker: ik heb nog nooit zoveel (perfect Nederlands sprekende) Turken op de televisie gezien. Hieruit kun je concluderen dat de reguliere uitzendingen van de Nederlandse televisie geen afspiegeling zijn van de samenstelling van de Nederlandse bevolking. Ook zonder aardbeving zou ik wel eens wat vaker Turkse journalisten, presentatoren, kunstenaars, woordvoeders enz. op het scherm willen aanschouwen.

In de berichtgeving over de aardbeving werd, voor zover ik weet voor het eerst, stelselmatig gesproken over `Turkse Nederlanders'. Daar heb je het journalistieke nabijheidsbeginsel in werking: niet alleen Turken, maar Nederlanders en wel Nederlanders van Turkse afkomst waren bij de ramp betrokken. Het verst is de integratie gevorderd op school. In groepsgesprekken vertelden Turkse kinderen hun klasgenootjes over de ellende die hun families heeft getroffen. En wat maakt het een achtjarig kind in een Rotterdamse schoolklas uit of de oma van een vriendje of vriendinnetje in Izmit of in Zoutelande is gestorven? De afstand maakt niets uit, het verdriet is heel, heel dichtbij.

Het is in deze geest dat ook de Nederlandse overheid, met name premier Kok tijdens de herdenkingsbijeenkomst in een Zaanse moskee, de Turkse ramp heeft benaderd. Misschien zelfs wel iets te nadrukkelijk, iets te geforceerd, met zijn oproep tot verdergaande integratie, pogend de rouw in te bedden in het minderhedenbeleid. Er zat, vrees ik, nog wel wat wishfull thinking in zijn getuigenis van de Nederlandse verbondenheid met de Turkse gemeenschap.

Mij zit het bijvoorbeeld dwars dat in Amsterdam de steun aan Turkije werd gepresenteerd als uitkomst van onderhandelingen tussen het gemeentebestuur en vertegenwoordigers van de Turkse gemeenschap, te weten een raadslid van GroenLinks en een ambtenaar van het gemeentelijk bureau nieuwkomers, beiden van Turkse afkomst. Behartigen alleen Turkse raadsleden en ambtenaren de belangen van de Turkse gemeenschap? Behartigen zij niet tevens de belangen van alle andere Amsterdammers? Het smaakt me te veel naar `etnisering' van politieke en bestuurlijke representatie en naar cliëntelisme. Zoiets bevordert niet de afstand, maar wel de afstandelijkheid.

Het is me, ook los hiervan, onmogelijk gebleven te doorgronden wie nu eigenlijk in Nederland `de' (toch uiterst pluriforme) Turkse gemeenschap vertegenwoordigen. De islamitische geestelijkheid? In haar geheel? Het is toch niet waar dat alle islamieten de ramp beschouwen als door Allah beschikt? Bovendien bestaan er ook niet-islamitische Turken, dacht ik. Maar ik weet werkelijk niet hoe representatief voor de Turks-Nederlandse gemeenschap het gedachtegoed is van de Turkse attaché voor religieuze zaken — en die onwetendheid zegt ook iets over een nog onvoldoende integratie.

Wel viel me een grote overeenkomst op tussen de woorden van de attaché en de onverschrokken reactie van de Zeeuwse orthodoxe christenen op de watersnood van 1953: `de Heer heeft gegeven, de heer heeft genomen, de naam des Heren zij geprezen'. Respectabel maar niet representatief. Overigens kwam uit diezelfde hoek deze week het fraaiste bewijs van voortschrijdende integratie. Zondag collecteerden op een Haags `multi-cultureel festival' gemeenteraadsleden voor de slachtoffers in Turkije. Trouw meldde dat het SGP-GPV-RPF-raadslid M. Niemeijer ervoor uit de kerk was gekomen, zeggende: ,,Op zo'n moment worstel je met het principe van de zondagsrust. Maar wat er in Turkije is gebeurd, is te erg. Daar wil ik natuurlijk ook mijn steentje aan bijdragen.''