Nieuwe privacywet is onder de maat

Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding', luidt het gezegde. Wat de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) betreft, klopt dat. Via drie wijzigingsnota's en héél veel extra uitleg, is de nieuwe privacywet inmiddels met allerlei aardigheden opgesierd. Maar fundamenteel blijft het wetsvoorstel ongeschikt voor de praktijk: veel te ingewikkeld, veel te vergaand en veel te veel onzekerheid bevattend.

Als excuus stelt Justitie dat de nieuwe privacywet er niet anders uit kan zien. De Europese privacyrichtlijn zou tot een dergelijk wetsvoorstel verplichten.

Maar dat berust op een misverstand. Inderdaad moet Nederland richtlijnen wettelijk implementeren. Maar dan wél door zelf te zoeken naar de beste oplossingen - een kwestie van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het herschrijven van de richtlijn in een Nederlandse wet met de bedoeling om via de uitgebreide toelichting het verouderde nationale privacyrecht te laten voortbestaan, is met dat Europese recht in strijd. Blijkbaar realiseerde minister Korthals van Justitie zich dat onvoldoende toen hij in juli de Tweede Kamer nog trots berichtte dat de WBP nauw aansloot bij onze oude privacywet, de Wet Persoonsregistraties.

Die Wet Persoonsregistraties stond model voor de Europese privacyrichtlijn. Maar gek genoeg mag je de wet niet gelijk stellen aan het Europese beleid. Want beide verschillen fundamenteel: de EU streeft naar het vrije verkeer van persoonsgegevens maar wil haar burgers beschermen tegen de onrechtmatige verwerking van hun gegevens. Traditioneel stelt Nederland alleen de bescherming van persoonsgegevens centraal. Vandaar ook: Wet Bescherming Persoonsgegevens.

Slechts in het geval dat onze oude oplossingen de proportionaliteitstoets kunnen doorstaan, is het uit oogpunt van continuïteit wenselijk om deze in een nieuwe wet over te nemen. Naar eigen zeggen van Justitie is dat bij de voorbereiding van de WBP echter nooit gebeurd. Via de uitgebreide memorie van toelichting en voorgenomen lagere regelgeving, dreigt de regeldruk nu toe te nemen met meer dan het tienvoudige dan waartoe `Brussel' ons verplicht.

Het resultaat is een topzware implementatie van Europese regelgeving, die niemand goed kan naleven. Ook effectief toezicht door de Registratiekamer zal onmogelijk blijken, zeker op Internet. Met andere woorden: de WBP is niet te handhaven en kán ook niet meer in deze tijd van MDW-operaties, vermindering van administratieve lasten, goede wetgeving voor de elektronische snelweg en aanpassing van onze grondrechten aan het digitale tijdperk.

Toch doet Justitie hard haar best om recht te praten wat krom is. En samen met de Registratiekamer en de Europese Commissie, die blijkbaar onvoldoende weet heeft van de slechte kwaliteit van het Nederlandse wetsvoorstel, wordt flink druk uitgeoefend op het parlement om haast te maken met de invoering van de WBP. Er wordt zelfs gedreigd met de maatregel om Nederland voor het Europese Hof van Justitie te dagen.

VNO-NCW heeft echter samen met de Consumentenbond al een jaar geleden laten zien hoe proportionele implementatie van de Europese privacyrichtlijn wél goed mogelijk is. De dreigingen kunnen we dus met een flinke korrel zout nemen, want juist het Hof van Justitie is niet bepaald gecharmeerd van de disproportionele uitvoering van het Europese beleid. Bovendien, ongeveer de helft van de lidstaten, met name Frankrijk en Duitsland, zijn nog minder ver dan Nederland. Dus zo'n gek figuur slaan we nu ook weer niet.

Overigens is het een mythe dat we vanwege de late implementatie van de richtlijn in een soort juridisch vacuüm verkeren. De oude privacywet geldt gewoon voorzover dat geen strijdigheden oplevert met het Europees recht. Iedereen kan zich op de rechtstreekse werking van de richtlijn beroepen.

Dus, als het parlement straks kiest tussen opgejut worden en zorgvuldige wetgeving: liever géén wet dan een slechte wet. Snel een goede wet zou natuurlijk het beste zijn.

Drs. J.C. Blankert is voorzitter van VNO-NCW.

    • J.C. Blankert