Nederland en Indonesië

In 1962 draagt Nederland, na een langdurige confrontatie met Indonesië en onder zware diplomatieke druk van met name de Verenigde Staten, de soevereiniteit over Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië over. Daarbij komen de verdragspartners overeen dat het gebied, ook wel West-Irian genoemd, tijdelijk door de Verenigde Naties zal worden bestuurd, die het te gelegener tijd aan de Republiek Indonesië zullen overdragen. (Dat zal feitelijk per 1 mei 1963 gebeuren.)

Indonesië zegt in het verdrag toe dat de plaatselijke bevolking vervolgens `een vrije keuze' mag maken of zij bij Indonesië wil blijven danwel de banden met de republiek wil verbreken. De Nederlandse onderhandelaars willen in het verdrag vastleggen dat het om een heus referendum gaat, waarbij iedere inwoner mag stemmen. Dat weigert de Indonesische delegatie. In het verdrag wordt de volksraadpleging beperkt tot `overleg (musjawarah) met de vertegenwoordigende raden' in het gebied. Dit moet de `vrije wilsuiting van de bevolking' verzekeren.

Zeven jaar later, op 2 augustus 1969, brengen alle acht de consultatieve raden van Irian Jaya hun stem uit. Zij kiezen unaniem voor definitieve aansluiting bij Indonesië. De relatie tussen Nederland en Indonesië is dan inmiddels sterk verbeterd. Dit, en het feitelijk gebrek aan machtsmiddelen, maken dat Nederland, noch de Verenigde Staten of Australië behoefte voelt de Indonesische aanspraken op West-Irian, nu Irian Jaya geheten, te betwisten.