Mongools sterft weg in `modelgebied' Binnen-Mongolië

Binnen-Mongolië is trots op de harmonieuze etnische relaties tussen Han-Chinezen, Mongolen en kleinere etnische minderheden. Het is echter de vraag of achter de harmonie geen onderwerping of een geleidelijke assimilatie schuilgaat.

,,Binnen-Mongolië is China's nationale modelgebied voor interetnische betrekkingen'', zegt Yu Xiaoqin, secretaris-generaal van de Binnen-Mongoolse Journalistenbond. In tegenstelling tot China's andere twee grote multiraciale grensgebieden, Tibet en Xinjiang, bestaat er in Binnen-Mongolië harmonie tussen de autochtonen – Mongolen en kleinere minderheden – en de Han-Chinese kolonisten, zegt ze.

Er zijn geen waarneembare tekenen van het tegendeel. Ruim tachtig procent van de bevolking van het `Autonome Gebied Binnen-Mongolië' is Han-Chinees, maar van de functionarissen die wij ontmoeten zegt een relatief groot deel Mongool te zijn. Maar zij zijn gesinificeerde Mongolen, die of gesinificeerde Mongoolse of puur Chinese namen hebben, weinig of geen Mongools meer spreken en het niet kunnen lezen of schrijven. Op alle regeringsgebouwen, winkelgevels en straatnaamborden staat het verticale Mongoolse krulschrift boven het Chinees, maar in de stad Hailar was niemand te vinden die het kon lezen.

Het is een cosmetische concessie aan de cultuur van de autochtone minderheid, die weinig of geen relevantie voor het dagelijkse leven heeft. Ook de administratieve indeling kent niet de Chinese begrippen van prefecturen en districten, maar is volgens de Mongoolse traditie van liga's (nomadische stammen) en vendels, een stam of subgroep die onder haar eigen vendel of banier rondtrok. Een prefect in Binnen-Mongolië heet liga-hoofd (meng-zhang) en een districtshoofd is een vendelleider (qi-zhang).

Maar deze uiterlijkheden betekenen nauwelijks iets voor het behoud van het Mongoolse karakter van het gebied. Zelfs in Hailar, een afgelegen stad in het hoge noorden, bestaat de bevolking voor 83 procent uit Chinezen, voor tien procent uit Mongolen en voor de rest uit kleine groepen palaio-Aziaten zoals Ewenki, Jakoeten en Toengoezen. Chang Hai, vice-partijsecretaris, vertelt trots dat hij een Mongool is. Hij spreekt met zijn moeder nog een beetje Mongools, maar zijn vader spreekt het onvoldoende. Er zijn wel `nationaliteitenscholen' waar in minderheidstalen onderwezen wordt, maar Chang zegt dat zijn vader uit carrière-overwegingen gekozen had voor puur Chinees onderwijs. Om echte Mongolen te zien, moet je naar het platteland, maar compleet Mongoolse dorpen zijn er niet. In de tijd dat de Mongolen nog in de meerderheid waren, hadden zij een nomadische levensstijl en het waren de Chinezen die de sedentaire levenswijze introduceerden.

De Mongolen wonen in afgelegen veeteeltboerderijen. We bezoeken zo'n boerderij waar de vrouw des huizes met haar moeder, schoonmoeder en drie kinderen vertoeft. De mannen zijn met het vee, 40 koeien, 20 paarden en 300 schapen, op stap. Zij heet Bao Qiqige (26), een typisch voorbeeld van een gesinificeerde Mongoolse naam. Ze onthaalt ons in haar huiskamer op boterthee en sterke drank. Oudere vrouwen trakteren op zelfgebakken koekjes. Bao, een onderwijzeres, legt uit dat een van de grote privileges die de Mongolen genieten het hebben van verscheidene kinderen is. Drie is doorgaans het maximum, maar voor de kleinere minderheden zoals de Ewenki, de Daur en de Oluchun is er geen limiet. Sommige Ewenki-vrouwen hebben wel tien kinderen.

Pure Mongolen werken ook in het toerisme. Hailar is het stedelijke centrum van immense groene heuvelachtige grasvlakten, waar kamelen, koeien en schapen in groten getale rondgrazen. 'sMorgens vroeg, als dauw en mist net zijn opgetrokken en de zon schijnt, doet het in weelderigheid niet onder voor de tropische `gordel van smaragd'. Rondom Hailar, Manzhouli en Yakeshi, drie steden van elk 150.000 tot 200.000 inwoners, liggen toeristische Mongoolse dorpen met tenten, niet van vilt maar van aluminium, waar toeristen, hoofdzakelijk bejaarde Japanners, zich te goed kunnen doen aan een banket van schapenvlees met een overvloed aan alcohol. Bij de omheining van elk dorp staat een groep meisjes voor het welkomstritueel, het in één teug leegdrinken van twee zilveren bokaaltjes sterke drank. Het is niet de traditionele Mongoolse drank aireg, gegiste paardenmelk, maar een Chinese graandrank die meer naar kerosine dan jenever smaakt.

De Japanse toeristen komen naar de weidse lege grasvlaktes die ze in hun eigen overbevolkte, bergachtige archipel niet hebben, laten zich in historische Mandsjoe- en Mongoolse kleding fotograferen en bestijgen even een paard. Velen zijn 70-plus-legerveteranen van de Tweede Wereldoorlog die voor hun dood hun ,,vrede willen maken'' of wellicht tot hun nostalgische spijt opnieuw beleven dat ze de oorlog niet gewonnen hebben. Het Japanse ideaal was niet alleen `Mandsjoekwo', de vazalstaat onder de laatste Chinese keizer Pu Yi, maar ook `Manmo', de hele immensheid van Mandsjoerije en Mongolië samen als Japans marionettenrijk. In alle tenten staat een levensgroot portret van Dzjenghis Khan, die in de dertiende eeuw met zijn ruiterlegers een rijk vormde van Korea tot Warschau. De tentleider: ,,Hij is onze voorouder.'' Is dat alles? Hij is toch de vader des vaderlands, oerwezen van de Mongoolse natie? De Mongolen kijken elkaar aan en de oudste zegt: ,,Dit is een toeristenattractie!'' Discussie gesloten.

Hoe diep de harmonie tussen Mongolen en Han gaat, is in korte tijd moeilijk te peilen. In elk geval zijn er geen openlijke spanningen zoals in Tibet of Xinjiang, waar de Tibetanen en Oeigoeren overvloedig hun gal spuwen over Chinese repressie en culturele arrogantie. De bredere betekenis van de uitspraak van mevrouw Yu over Binnen-Mongolië als model heeft dan ook dramatische implicaties voor de Chinese langetermijnstrategie in de overige, aanzienlijk minder harmonische randgebieden. Wat in Binnen-Mongolië al honderd jaar geleden begonnen is, massale immigratie van Han-Chinezen, is in Xinjiang pas in de jaren vijftig begonnen en in Tibet in de jaren tachtig.

Binnen-Mongolië heeft al sinds de 17de eeuw nauwere betrekkingen met het Chinese keizerrijk gehad dan de rest van de multi-etnische periferie. Toen het noordoostelijke buurvolk van de Mongolen, de Mandsjoes, zich in 1620 opmaakte om China te veroveren, vormden die delen van het rijk van de nazaten van Dzjenghis Khan die het dichtst bij China lagen, een uiteenrafelende lappendeken van 49 mini-khanaten, die spoedig de bescherming van de nieuwe Mandsjoe-keizer zochten tegen de veel sterkere West-Mongolen. Om de vrije verplaatsing van mensen tegen te gaan, werden onder de volgende keizer, K'ang Hsi (1661-1722), al grensposten geplaatst tussen wat toen voor het eerst `Binnen-Mongolië' en `Buiten-Mongolië' (na 1911 de onafhankelijke staat Mongolië) werd genoemd. De drie veel grotere khanaten van Buiten-Mongolië onderwierpen zich in 1691 aan keizer K'ang Hsi na een verpletterende nederlaag tegen de West-Mongolen. Zij hadden eerst overwogen de Russische tsaar te verzoeken hun de status van protectoraat te verlenen, maar kozen toch voor de Mandsjoes ,,omdat die hetzelfde geloof hadden en hetzelfde soort kleren droegen als de Mongolen zelf''. Bovendien was het Mandsjoe-alfabet een variant op het Mongoolse.

De Mongoolse adel werd door huwelijken met Mandsjoe-prinsessen ruim 200 jaar een deel van de Mandsjoe-Mongoolse heersende aristocratie, waarbij de Mongolen paarden en manschappen leverden om de Chinezen er onder te houden. De macht in heel China was in handen van de Mandsjoe-Mongoolse dyarchie, maar Chinese handelaren en geldleners beheersten door middel van woekerrente spoedig de hele Mongoolse economie, hoewel zij zich er niet permanent mochten vestigen of zelfs niet in Mongoolse tenten mochten slapen. De Chinezen slaagden er in om enorme hoeveelheden rijkdom in de vorm van vee, leer en wol naar China over te brengen, zodanig dat Binnen- en Buiten-Mongolië gedurende de 18de en 19de eeuw in sociaal en economisch opzicht volledig verarmden.

De Chinese kolonisatie van Binnen-Mongolië begon pas aan het begin van deze eeuw met de bouw van de Chinees-Russische spoorlijn, die bij Manzhouli het land binnenkomt en via Hailar en Harbin naar Vladivostok loopt. Er waren grote Mongoolse opstanden in 1912 en 1928, tegen de toevloed van Chinezen. De republiek Mongolië heeft zich met Sovjet-hulp permanent van China kunnen losmaken, maar naarmate de Chinezen in Binnen-Mongolië de meerderheid vormden, waren afscheidingsbewegingen daar kansloos. Na de democratische revolutie in Mongolië in 1990 is er druk gespeculeerd en gehoopt dat die ook naar Binnen-Mongolië zou overslaan, of dat Mongoolse nationalisten in Binnen-Mongolië aansluiting bij Mongolië wilden zoeken. In Mongolië is echter, net als in Rusland, vrijheid en democratie gepaard gegaan met sociaal en economisch verval. Het ziet er nu naar uit dat de Mongolen in Binnen-Mongolië en ook de Chinezen en andere minderheden daar de voorkeur geven aan economische ontwikkeling en hogere welvaart en het uitblijven van politieke liberalisering op de koop toenemen.

Of het Binnen-Mongoolse model van het creëren van etnische `harmonie' door middel van Chinese massa-emigratie, in feite geleidelijke assimilatie en onderwerping, in Xinjiang en Tibet uitvoerbaar is, is echter zeer de vraag. Een van de redenen waarom het in Binnen-Mongolië redelijk geslaagd is, zijn de talrijke huwelijken tussen Chinezen en Mongolen. De politiek van het bevorderen van huwelijken tussen Oeigoeren in Xinjiang en Chinezen is mislukt omdat eerdergenoemden moslims zijn, en de Chinese passie voor het vrijwel dagelijks eten van varkensvlees een onoverkomelijk obstakel is. Huwelijken tussen Chinezen en Tibetanen werken evenmin omdat Tibetanen de armoede van de middeleeuwse religieuze samenleving met zich meedragen.