Mir op sterven na dood

De bemanning van het Russische ruimtestation Mir keert vandaag naar de aarde terug. Het Mir-complex moet het nog zeker een half jaar op eigen kracht klaren voordat het naar de aarde terugvalt. Of hebben de Russen alsnog een verrassing in petto?

De drie ruimtevaarders aan boord van de Mir, twee Russen en een Fransman, houden het erop dat zij de laatste `echte bewoners' van het complex zullen zijn geweest. Vandaag landen ze met hun Sojoez-ruimteveer in de steppen van Kazachstan. De Mir zal het ten minste nog tot een paar maanden na de eeuwwisseling op eigen computervermogen moeten zien vol te houden.

Als die nieuwe analoge computer — volgens sommigen al vijftien jaar oud — erin slaagt de zonnepanelen van het complex op de zon gericht te houden en de energievoorziening te handhaven, zal mogelijk toch een (aller)laatste kosmonautenteam de Mir bezoeken. Dat zou dan omstreeks maart/april 2000 moeten geschieden en zou het einde van de Mir zo soepel mogelijk moeten laten verlopen. Dat team, gevormd door de ruimtevaarders Sergej Kaletin en Aleksandr Kaleri, zou moeten toezien op de geleidelijke afremming van het complex. Volgens de planning zou het tweetal zich pas zeven tot vijf dagen voor de terugkeer van de Mir in de aardse dampkring, met de eigen Sojoez uit de voeten maken. Een uiterst riskante slopersmissie.

Daarmee wordt een punt gezet achter het Russische programma voor bemande ruimtevaart, waarmee Joeri Gagarin op 12 april 1961 zo'n glorieus begin maakte. De Russen zullen naar verwachting wel blijven meedoen aan het ISS-project, het grote internationale ruimtestation waarin de VS de hoofdrol spelen en waaraan wordt meegewerkt door Europa, Japan en Canada. Voor de meeste Russen echter is het ISS-project slechts een show onder de supervisie van de VS, ook al wordt het hart van het ruimtestation in aanbouw gevormd door modules van Russische makelij. De Russische regering en de Doema zouden de Mir graag gratie verlenen en in de ruimte houden als symbool van de Russische ruimtetechnologie. Maar dat kost geld en dat geld heeft Moskou niet.

energia

Toch is er nog enige hoop, bijvoorbeeld als de Russische ruimtevaartorganisatie RKA en Energia, het ruimtevaartbedrijf dat de Mir bouwde en beheert, zèlf kans zien een verlenging van het Mir-project te bekostigen. Zij zouden dan zijn aangewezen op buitenlandse geïnteresseerden die betrouwbaarder en vermogender zijn dan de inmiddels overboord gezette excentrieke Britse zakenman Peter Llewellyn.

En dan is er nog China. Er gaan hardnekkige geruchten dat dit land het benodigde kapitaal bij Energia op tafel wil leggen. Als tegenprestatie zouden dan enige Chinese astronauten — enkele jaren geleden al in Rusland klaargestoomd — naar de Mir moeten worden overgebracht. En wel op korte termijn: in oktober viert het communistisch bewind van China zijn gouden jubileum. Er zijn aanwijzingen dat Peking er aanvankelijk naar streefde om reeds in oktober met eigen astronauten en met raketten en ruimtecabines van eigen makelij voor ruimtelijk vuurwerk te zorgen. Maar dat project heeft aanzienlijke vertraging opgelopen.

Met de Chinese interesse zou intussen ook kunnen worden verklaard waarom de Russen — met behulp van een aangekoppelde onbemande Progress-vrachtcabine — eerder dit jaar de baan van de Mir verhoogden om het complex een iets langere levensduur te verschaffen. Zonder zicht op klandizie zou het logischer zijn geweest als ze het ruimtestation alvast in een wat lagere baan hadden gedirigeerd. Van Amerikaanse zijde werd er afkeurend op gereageerd. De Amerikanen willen niets liever dan dat de Mir zo snel mogelijk volledig wordt afgedankt. Dan zouden de Russen zich uitsluitend aan de toch al vertraagde realisering van hun aandeel in het ISS-project kunnen wijden.

Wat nu als de Chinezen uiteindelijk geen belangstelling voor de Mir blijken te hebben en er zich geen andere gegadigden melden? Dan wordt in de eerste maanden van het nieuwe millennium het Mir-complex in een `afgelegen deel' van de Stille Oceaan gedumpt. Althans als de `nieuwe' computer, die een paar weken geleden aan boord van de Mir in gebruik werd genomen — zijn voorganger liet het afweten — het zo lang zal uithouden. Sceptici wijzen erop dat het de afgelopen jaren juist de Mir-computers zijn geweest die hachelijke situaties hebben opgeleverd. En toen was er nog een bemanning aan boord die kon ingrijpen.

De Amerikanen houden in ieder geval hun hart vast bij de gedachte dat de laatste Mir-crew het ruimtecomplex vaarwel zegt voordat dit de dampkring binnendringt. Als het gevaarte onbestuurbaar wordt, kan men een gerichte dumping wel vergeten en maar beter groot alarm slaan voor een strook aan weerskanten van de 51ste breedtegraad. In die gevarenzone liggen, wat ons land betreft, onder andere Tilburg en Eindhoven. De nu in de Mir geïnstalleerde computer kan natuurlijk ook de geest geven in de periode tussen het vertrek van de huidige bemanning en de komst van het `slopersteam'. Je moet er niet aan denken dat Kaletin en Kaleri dan zullen proberen hun Sojoez te koppelen aan een op hol geslagen ruimtestation met zijn chaotisch aandoende stelsel van modules, zonnepanelen, antennes en allerlei andere aanbouwsels. Zo'n koppelingspoging staat gelijk aan een zelfmoordactie.

Bij dat alles is de zon nog een complicerende factor. De activiteit van de zon bereikt juist begin volgend jaar een maximum in de loop van haar elfjarige cyclus. Die extra activiteit, in de vorm van meer zonnevlammen, kan tot gevolg hebben dat de bovenste lagen van de aardse dampkring uitzetten, waardoor een oncontroleerbare Mir eerder in de dichtere lagen van de atmosfeer zou terechtkomen dan was voorzien. Iets soortgelijks gebeurde in juli 1997 met het 84 ton zware Amerikaanse ruimtestation Skylab. Dat leverde in Zuidwest-Australië — het viel nog mee — een riskante regen van brokstukken op.