LUISTEREN NAAR `CRIMINEELTJES'

Wat bezielt kinderen die op school niets uitvoeren? Psycholoog Jeroen Petri volgde leraren, ouders en leerlingen. Kinderen die onder druk staan veranderen hun gedrag. `Laat trage kinderen zich belangrijk voelen.'

`IK ZAL HET crimineeltje even halen,' zei een directeur van een basisschool tegen Jeroen Petri toen deze daar als schoolpsycholoog kwam om een jongen met gedragsproblemen te onderzoeken. Het zijn dat soort stigma's rondom `probleemkinderen' die volgens Petri een neerwaartse spiraal in de hand werken. In zijn boek `Bij haar kan ik niet leren!', dit voorjaar verschenen bij uitgeverij Elsevier/De Tijdstroom, beschrijft Petri hoe een andere manier van kijken naar de leerling en de onderlinge relaties tussen leerling, docent en ouders die spiraal kan doorbreken en daardoor een preventief karakter kan hebben. ``Als je niet kijkt naar het totaalbeeld, en niet vraagt naar de beleving van het kind, dan kom je onherroepelijk in een fuik terecht waarin het kind geen kant meer op kan'', aldus Petri.

Ruim tien jaar lang was Petri als schoolpsycholoog werkzaam in Israel. Zijn ervaringen daar vormen de basis voor zijn boek. Tijdens zijn werk zag Petri hoe kinderen die op school niets uitvoerden thuis behulpzaam en initiatiefrijk waren en ook bij hun remedial teacher opbloeiden. Petri: ``De situatie waarin het kind problematisch is, is slechts een deel, het is niet hèt kind.'' Dit bracht hem ertoe niet langer met het kind tussen vier muren te blijven zitten, maar ook de school, de leerkrachten en de gezinssituatie aan een nader onderzoek te onderwerpen en zo te proberen een totaalbeeld te krijgen. Uren bracht hij door in lerarenkamers, waar hij ondervond hoe ``weinig hoopvol'' er over de `probleemkinderen' werd gepraat. Hij volgde lessen om kinderen en docenten in de klassituatie te observeren en betrok ook ouders bij zijn onderzoek.

In veel gevallen herkende Petri al snel een dynamiek waarin het kind steeds meer gemangeld werd. ``Jantje is traag en heeft altijd als laatste het bord overgeschreven en iedere keer weer zegt de docent: `Kan ik het bord al uitvegen, Jan?' De docent heeft weinig geduld, geeft Jan plichtsgetrouw een beurt, maar is met zijn ogen al elders. Jan vindt dat verschrikkelijk, voelt zich anders en gaat het probleem oplossen door bijvoorbeeld geen huiswerk meer te maken. De ouders krijgen brieven over het slechte gedrag van hun zoon en bestraffen hem door hem van karate te halen, het enige waar Jan goed in was.''

De probleemkinderen die Petri beschrijft worden soms door de dynamiek van actie en reactie tot probleemkinderen gemaakt. Het begint veelal met een nog niet ontdekte leerstoornis. In het immigratieland dat Israel in de jaren tachtig en begin jaren negentig was, speelde ook het probleem van taalachterstand en achterstand in cognitief begrip een grote rol. In de volle drukte van alledag reageert de docent zodanig dat de leerling in zijn schulp kruipt, zijn huiswerk niet meer maakt, agressief wordt of het bijltje er helemaal bij neergooit. De oplossingen die de leerling kiest stellen de docent voor nieuwe problemen. De docent lost deze op door de leerling de klas uit te sturen en het thuisfront in te lichten, waardoor ook daar weer dat negatieve gedrag onder de microscoop wordt gelegd. De leerling die zich toch al buitengesloten voelt, wordt doorgestuurd naar het speciaal onderwijs en valt wellicht in de toekomst helemaal buiten de boot. ``Mijn boek is geen aanklacht tegen docenten,'' zegt Petri, ``mij gaat het vooral om de leerlingen. De leerkracht heeft het moeilijk met de leerling die anders is. Ik laat zien dat hij of zij het kind anders kan bezien dan alleen als probleemkind.''

VIJF MINUTEN

Een andere, creatieve kijk op de situatie kan volgens Petri preventief werken. Daarvoor zoekt hij naar ``de kleinst mogelijke ingang voor een verandering''. In zijn boek illustreert hij dat met talloze praktijkvoorbeelden, die alle hun eigen verhaal vertellen. Gesprekken met de betrokkenen kunnen op zichzelf al voldoende informatie bieden. Eén keer was een observatie van vijf minuten in de klas al voldoende om te zien dat de docent een hekel had aan het `probleemkind'. Als de docent zich hiervan bewust wordt, kan hij proberen zijn gedrag te veranderen.

Veelal maakt Petri gebruik van vragenlijsten, die hij de drie partijen voorlegt. De vragen, die in het boek zijn opgenomen, gaan over gevoelens, verwachtingen, vaardigheden en wederzijds begrip. Uniek is dat Petri ook aan de leerling vraagt wat hij van de docent vindt. `Ik houd van de leerkracht', is de eerste stelling waarop de leerling moet reageren. En daarna: `De leerkracht mag mij graag'. Ook de docent moet aangeven of hij van de leerling houdt en de ouders geven hun oordeel of hun kind de docent graag mag.

krijtjes

Hoe je de negatieve spiraal vervolgens kunt doorbreken is niet pasklaar terug te vinden in het boek. ``Iedere kleine verandering in de situatie die de spiraal doorbreekt is beter dan niets doen,'' meent Petri eenvoudigweg. ``Besteed aandacht aan wat de leerling wel goed kan. Probleemkinderen zijn vaak kinderen met bijzondere hobby's, waar ze erg goed in zijn. Laat die trage leerling zich belangrijk voelen door hem krijtjes te laten halen en vertel de klas dat je pas verder kunt als Sophie terugkomt met de krijtjes.'' Het zijn de kleine oplossingen voor de grote problemen. Een aardig voorbeeld is `de brief aan de juf'. De leerling schrijft een brief aan de docent waarin hij vertelt hoe hij zich voelt, wat hem dwarszit, wat hij van de docent verwacht en wat die omgekeerd van hem mag verwachten. ``Voor een docent is het schokkend om bijvoorbeeld te lezen dat een leerling bang voor hem of haar is,'' zegt Petri, die de docent altijd vraagt een brief terug te schrijven. ``Zo'n brief kan een muur doorbreken, en dat is een nieuw begin.'' Volgens hem kan het effect dat hiervan uitgaat blijvend zijn. ``Althans als de partijen van goede wil zijn en de situatie niet verandert door bijvoorbeeld plotselinge afwezigheid.''

aanvulling

De andere kijk die Petri bepleit is geen alternatief voor diagnose, therapie en behandeling, maar een aanvulling hierop, die de situatie voor alle partijen meer leefbaar kan maken en waardoor kinderen weer met plezier naar school gaan. ``Het boek geeft een handreiking aan betrokkenen wat zij nù kunnen doen, om de situatie onmiddellijk te verbeteren. Dat het kind verder nog onderzocht moet worden staat buiten kijf.'' Hoewel Petri's boek handelt over de situatie in Israel is zijn aanpak volgens hem ook in Nederland toepasbaar. ``Ik ben hier nu twee jaar terug, heb bij verschillende schoolbegeleidingsdiensten gewerkt en kwam hier dezelfde moeilijkheden en relaties tegen.''

Hoe meer instanties zich bezighouden met een `probleemkind', hoe minder aandacht er is voor de beleving van het kind, is de ervaring van Petri. In zijn huidige werk als gedragsdeskundige bij de unit strafzaken bij de Raad voor de Kinderbescherming in Haarlem ziet hij jongeren aan wie op school nog niemand heeft gevraagd wáarom ze nou eigenlijk spijbelen. Wel hadden ze al het stigma `problematisch' en had de school twee A-viertjes vol spijbeldata geproduceerd. ``Besteed die energie liever aan een gesprek met zo'n jongen'', adviseert Petri. ``Een deel van de kinderen die bij de Raad voor de Kinderbescherming terecht komen, draagt dat `problematische' stempel. Als eerder anders naar deze kinderen was gekeken, had dat mogelijk voorkomen kunnen worden.''

    • Jacqueline Kuijpers