Is de koopkrachtstijging een feest voor iedereen?

De koopkracht stijgt volgend jaar met een procent, spiegelt het kabinet-Kok voor. Profiteren ook de mensen met een uitkering in voldoende mate?

Het feest blijft voorlopig nog even aan de gang, is deze week gebleken. De consument besteedde het tweede kwartaal van dit jaar volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) weer fors meer dan vorig jaar, vooral aan elektronica en auto's. Volgend jaar kunnen de aankopen doorgaan, want de burgers krijgen van het kabinet meer te besteden door lastenverlichting en inkomenssteun.

Verhoging van de vaste belastingaftrek voor werkenden en meer kinderbijslag zijn enkele cadeautjes, die bij de onderhandelingen over de begroting van volgend jaar zijn toebedeeld. Met de berekeningen van het Centraal Planbureau (CPB) in de hand spiegelt het kabinet-Kok de burgerij een gemiddelde koopkrachtstijging van 1 procent voor.

De goed-nieuws-show van paars deze week wekt de vraag op in hoeverre de burger inderdaad blij moet zijn. Dat het CDA moppert over de in zijn ogen te geringe verhoging van de kinderbijslag is een voorschotje op het politieke debat over de begroting van 2000, dat na Prinsjesdag echt zal worden gevoerd. De verhoging is in elk geval te zien als het ongedaan maken van een oude bezuiniging op de kinderbijslag door het derde kabinet Lubbers, waarin de huidige premier Kok minister van Financiën was.

Ook de lastenverlichting volgend jaar van 1 miljard gulden (en nog eens een miljard in 2002) is te zien als een goedmakertje voor oud zeer. Om de tekorten van de sociale fondsen te dekken heeft het kabinet dit jaar de premies van sociale verzekeringen laten stijgen, met als gevolg dat de lasten in 1999 met zeker een miljard zijn toegenomen. Dat neemt niet weg, dat de burger volgend jaar in elk geval meer te besteden krijgt dan dit jaar.

Als de koopkrachtplaatjes van het CPB tenminste een betrouwbaar beeld van de werkelijkheid geven tenminste en dat is al jarenlang een punt van discussie. Het CPB berekent voor verschillende inkomenscategorieën ruw gezegd hoeveel de lonen stijgen (en de uitkeringen) en brengt daarop de inflatie, de belastingen en premies in mindering. Dat is een nuttig instrument voor de Haagse plannenmakers om de inkomenseffecten van het eigen beleid te meten, maar veel politici gebruiken tot verdriet van het CPB de berekeningen ook om de plannen te verkopen.

En dan blijkt van tijd tot tijd dat zeker niet iedereen er evenveel op vooruit gaat. Zo bleek begin vorig jaar dat ondanks een beloofde koopkrachtstijging voor allen, de ouderen er op achteruit gingen door een gewijzigde premie-inning.Het gevolg was een omvangrijke koopkrachtreparatie en een adviesaanvraag aan de Sociaal Economische Raad (SER), die na een lange studie geen alternatief zag voor de huidige koopkrachtplaatjes. En hoewel het CPB zijn best doet om de plaatjes te verfijnen, blijven de modellen uiteindelijk maar modellen.

Zo is Jan Modaal, de werkende Nederlander met een vrouw en twee kinderen en een inkomen rond de ziekenfondsgrens, een zeldzaamheid geworden. Ongeveer 10.000 Nederlanders pasten in 1993 nog in zijn corset, de rest van de 6 miljoen Nederlandse huishoudens niet. Gezien de opmars van tweeverdieners en gebroken gezinnen is het waarschijnlijk dat volgend jaar het aantal modale Jannen eerder kleiner dan groter is geworden.

De verborgen winnaars van de koopkrachtplaatjes zijn doorgaans de werkenden, de verborgen verliezers de mensen met een uitkering. Dat komt doordat het CPB bij de berekening van de lonen uitgaat van de CAO-afspraken en geen rekening houdt met individuele loonstijgingen. Zo bleek deze week uit een onderzoek van de vakbond MHP dat het hoger personeel er volgens de CAO met 3 procent op vooruit is gegaan, maar in werkelijkheid met 4 tot 5 procent dankzij onder meer toeslagen of schaalverhogingen.

Deze onderschatting door het CPB betekent ook dat mensen met een uitkering, die gekoppeld is aan de officiële contractloonstijging, de afgelopen jaren verder achterop zijn geraakt dan de cijfers suggereren. Critici noemen deze versluierde verlaging van de uitkeringen al heel lang ,,het geheim van het Poldermodel'', maar pas vorig jaar kregen zij gelijk. Van het CBS dat in de nationale rekeningen een achterstand van een procent of twintig vond, opgelopen in ongeveer 15 jaar.

Het extra geld dat premier Kok deze zomer beloofde aan mensen met een minimum-uitkering en ouderen die naast hun AOW een klein of geen pensioen hebben, is dan ook bedoeld als een reparatie ,,voor groepen die achter zijn gebleven''. Of de achterstand kleiner zal worden, dan wel op zijn minst niet groter zal worden, is echter de vraag. De afgelopen dagen hebben de ministers flink gepuzzeld om de cijfers kloppend te krijgen voor Prinsjesdag, maar het zijn wel CPB-cijfers.

Mensen met een baan kunnen ook geheime verliezen lijden. De veranderingen in het persoonlijke leven van de burger zoals een echtscheiding of een nieuwe baan (dynamische koopkracht) hebben meer invloed op het besteedbaar inkomen dan de koopkrachtplaatjes van het CPB (statische koopkracht). De lokale lasten en verzekeringspremies zijn de afgelopen jaren fors omhoog gegaan, maar zitten niet in het koopkrachtplaatje.

Zo veroorzaakt de stijging van de huizenprijzen voor de woningbezitters een hogere aanslag van de onroerende zaak-belasting - tenminste in die gemeenten waar de huizen opnieuw worden getaxeerd of waar net een huis is aangeschaft. Nu al kondigen de zorgverzekeraars aan dat de premies voor de ziektenkostenverzekering opnieuw zullen stijgen. Het is dus de vraag hoeveel een individuele burger overhoudt van de officiële koopkrachtverbetering met één procent.