HITGOLF 10: PICKNICK

De zomer heeft niet alleen zijn eigen hits, maar is ook het meest bezongen seizoen in de popmuziek. Deel 10 van een serie over zomerse onderwerpen in hitsingles: picknicks en tuinfeesten.

Wie een tuinfeest voor popsterren geeft, hoeft zich geen zorgen te maken over de drankjes. Hou je van wijn, dan vraag je Barry & Eileen, die in 1978 een hit hadden met `Summerwine', en UB 40, dat vijf jaar later nummer 1 werd met `Red Red Wine'. Prefereer je pils, dan stuur je een uitnodiging naar Vader Abraham, die na zijn successen van januari '78 ongetwijfeld nog zwemt in smurfenbier. Heb je liever iets sterkers, dan bel je met Thin Lizzy (`Whisky In The Jar'), Rupert Holmes (`The Pina Colada Song') of Sailor (`A Glass of Champagne'). De Top 40 leert: drank stijgt minder snel naar het hoofd dan naar de top van de hitparade.

Ook voor servies kan worden gezorgd. Daarvoor moet je zijn bij Leo Sayer, de Engelse zanger-componist die met zijn lichte falset en beschaafde krullenbol de jaren zeventig wat probeerde op te vrolijken. In december 1974 stond hij een week op nummer één met `Long Tall Glasses', een liedje dat bij de meeste mensen dankzij het aanstekelijke refrein bekendstaat onder de titel `I Can Dance'. Op een swingend melodietje, dat het midden houdt tussen honkytonk en een snelle blues van Bob Dylan, bezingt een zwerver hoe hij flauw van de honger aankomt bij een soort luilekkerland waar de tafels vol staan met ham, kalkoen, kaviaar en grote hoge glazen: `I saw so much food, there was water coming from my eyes.' Maar hij mag niet direct toetasten: de uitbater stelt als voorwaarde dat hij laat zien dat hij kan `dansen als Fred Astaire'. Eerst sputtert de ik-figuur nog tegen (`You know I can't dance'), maar honger maakt rauwe benen goed, en al gauw danst hij de sterren van de hemel.

Het is onduidelijk of Leo Sayer in `Long Tall Glasses' een tuinfeest beschrijft, maar hij is hoe dan ook een van de weinigen die een eetfestijn op muziek hebben gezet. Wie goed luistert naar `Garden Party' van de countryzanger Rick Nelson (nummer 10 in 1972) komt tot de ontdekking dat het nummer gaat over een mislukt optreden in Madison Square Garden. `Barbecue' van André van Duin is weliswaar een absurdistisch verslag van een mislukte barbecue (`Lekkere saus in dit potje (...) Dat is helemaal geen saus/ dat is een blik buitenbeits'), maar geldt toch meer als een cabaretnummer dan als een popsong. En `Just One Cornetto', een uitzinnige `O sole mio'-parodie van de new wave-groep Pookiesnackenburger, gaat inderdaad maar over één ijsje.

Gelukkig is er Boudewijn de Groot, die anno 1967 na liedjes als `Strand', `Noordzee' en `Land Van Maas En Waal' een naam hoog te houden had op het gebied van zomerse hits. In de Summer of Love maakte hij met Picknick zijn beste langspeelplaat, terwijl de gelijknamige single (op een tekst van Lennaert Nijgh) als geen andere het flowerpowergevoel in de Nederlandstalige popmuziek weergaf. In `Picknick' nodigt De Groot ons uit voor een psychedelisch déjeuner sur l'herbe, waar starre paters en burgerlijke tantes `als elfen samen dansen, leliekransen in hun haar', en waar de muziek wordt verzorgd door een `goudgelokt lentekind' en de Apollo van de jaren zestig: `Gekleed in vijgenblad van schuim/ Vliegt Dylan door het hemelruim/ Speelt hymnen op zijn harp en gouden luit.'

Muzikaal is De Groot in `Picknick' meer beïnvloed door de Beatles dan door Dylan. De oosterse klanken waar het nummer mee opent doen denken aan de sitar van George Harrison op Sgt Peppers Lonely Hearts Club Band, dat een paar maanden eerder was uitgekomen. En de indrukwekkende cello-glissandi kennen de Beatlefans van `Eleanor Rigby'. Maar dat neemt niet weg dat `Picknick' – met het hoge tempo, het binnenrijm dat uit de groeven spat, de aanstekelijke uithalen (`We geven pickníííííííck') – heel herkenbaar Boudewijn de Groot is. Het nummer had beslist meer verdiend dan de armzalige 25ste plaats waarmee het in de Nederlandse Top 40 werd afgescheept.

Gegeten wordt er trouwens weinig, op De Groots picknick. Er is sprake van een vruchtenschaal (waar vriendinnen en vrienden rond gezeten zijn), van `zoete rook' natuurlijk, en van `druppels honing'; maar verder moeten de gasten het doen met geestelijk voedsel. Geen wonder, uit het laatste refrein blijkt dat behalve `de elfen en de feeën' ook `de runderen en reeën' zijn uitgenodigd. Vegetarisme is de dood in de pot voor de barbecue, weet ook de zanger. En dus luidt zijn advies: `sluit je ogen, pluk een bloem'.