Held

Bethel is een enorm verpleeghuiscomplex aan de rand van de stad, en ik zou er nooit zijn beland als het op de grote oorlogskaart van Simon Wiesenthal niet was aangemerkt als een van de weinige Duitse verzetshaarden. Dit wegens de principiële weigering van de directeur, `Reichsbischof' Friedrich von Bodelschwingh, om ook maar één euthanasiearts van de nazi's op het terrein toe te laten.

In het ziekenhuisarchief wil ik het heldenverhaal nog eens nalezen, maar de documenten blijken een andere geschiedenis te vertellen. In maart 1941 werd wel degelijk een commissie van 18 euthanasieartsen in Bethel toegelaten om al voorgeselecteerde patiënten nader te bekijken. De heren doctoren staken, zo blijkt uit bewaarde correspondentie, tijdens hun vrolijke maaltijden in de `Raadskelder' het doel van hun komst niet onder stoelen of banken. `Het ging als een lopend vuurtje door stad en land', klaagt Bodelschwingh in een brief aan Hitlers lijfarts Karl Brandt. `Weten jullie dat de moordcommissie in Bielefeld is aangekomen?' In het licht van die onrust vraagt hij dan ook: `Is het niet mogelijk om de zaak tot na de oorlog te laten rusten, totdat er een heldere wettelijke basis voor gegeven is?'

Bodelschwingh was dus allesbehalve principieel, en hij was ook geen held. Maar hij bereikte met al zijn gedraai wel iets dat hij met principes nooit gedaan had gekregen: men liet hem met rust. In de zomer van 1941 werden alleen al uit Westfalen 27 ziekentransporten met 2.890 patiënten naar de gaskamers van Hadamar gestuurd. Alleen Bethel liet geen gehandicapte gaan, de hele oorlog lang.