Dubbeltje op de eerste rang

Minister Hermans wil meer aandacht en geld voor fundamenteel onderzoek. Maar dan moeten universiteiten erkennen dat de top zich bevindt op de werkvloer en niet in het bestuursgebouw.

Het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek dreigt vast te lopen door onvoldoende geld, beknotting van inventiviteit en een overmaat aan bureaucratie. Voor jonge wetenschappers is er weinig loopbaanperspectief. Aldus de huidige minister van OCW in een nota aan de Kamer, getiteld: `Wie oogsten wil moet zaaien'. In het wetenschapsbudget 2000 breekt de minister een lans voor het fundamentele op vernieuwing gerichte onderzoek. Hij acht dat van grote maatschappelijke betekenis; het draagt in hoge mate bij aan het reservoir van toepasbare kennis en staat in vele gevallen onverwachts aan de basis van innovaties.

De minister wil het fundamentele onderzoek beschermen, meer armslag geven via een vernieuwingsimpuls. Het beschikbare budget zal in 2003 oplopen tot 75 miljoen gulden waarvan 10 miljoen nieuw geld. Het is een goed begin.

De Nederlandse universiteiten, zo merkte Science onlangs lovend op, zijn evenals die in Scandinavië en Engeland, typische `research universities'. Daaraan is ons succes op het gebied van wetenschap te danken. De universiteit is de plaats voor het doen van ongebonden onderzoek, onderzoek met een hoog risicogehalte, dat van oudsher gedaan wordt uit nieuwsgierigheid. Fundamenteel onderzoek is vaak onderzoek van lange adem en de resultaten zijn in vele gevallen niet direct van praktisch nut. De universiteit is bij uitstek de instelling voor het doen van dergelijk onderzoek. Het is ook het onderzoek waar talentvolle jongeren door worden aangetrokken. Daar worden de toekomstige toponderzoekers geboren. Inderdaad, toponderzoek zorgt voor nieuwe kennis en is daardoor altijd relevant.

Voor onderzoek ontvangen de universiteiten 2,4 miljard gulden, althans in 1998. Een tweede ook van overheidswege gesubsidieerde financier van het wetenschappelijk onderzoek in ons land is de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Nadat ze zich met veel succes met de ontwikkeling van de natuurwetenschappen had beziggehouden, begon ze haar steun geleidelijk ook over de andere wetenschappen uit te strekken. Zij heeft een buitengewoon belangrijke invloed gehad op het wetenschapsklimaat in ons land. Dat geldt ook nu nog. Onderzoek door NWO gesteund kan als een keurmerk voor de kwaliteit worden gezien. Maar er kleven ook nadelen aan een dergelijke financiering die overigens op bepaalde plaatsen in de wereld wat betreft het aandeel in de financiering van het gehele onderzoek, onder andere in de VS nog veel groter is. Wel de beoordeling, maar niet de financiering in dat land is vergelijkbaar met onze tweede geldstroom.

Aanvragen bij NWO en andere geldstroomorganisaties omvatten gedetailleerde voorstellen voor onderzoek van beperkte duur, die op kwaliteit en haalbaarheid worden beoordeeld. Vaak worden er suggesties gedaan het onderzoek hier en daar anders aan te pakken terwijl iedereen die wel eens onderzoek gedaan heeft weet dat men al vrij snel moet afwijken van het geplande omdat het vaak anders in elkaar zit dan men had verondersteld. De National Institutes of Health (NIH), een van de belangrijkste geldstroomorganisaties voor medisch biologisch onderzoek in de VS is ook niet erg gelukkig met het huidige `peer-review'-systeem.

GOEDKOPER

Daar is ook mijn kritiek op gebaseerd. Hoe belangrijk de tweede en andere geldstromen ook zijn, het door die geldstromen gefinancierde onderzoek is min of meer te beschouwen als contractonderzoek. Dat is een nadeel, omdat het remmend kan werken op de flexibiliteit en de originaliteit. Het laat ook weinig ruimte voor serendipiteit. Het kan best wat eenvoudiger en goedkoper door bij het toekennen van steun meer te letten op `past performance'. Met de PIONIER-subsidie en het SPINOZA-programma blijkt NWO die richting al uit te gaan. Ook NWO klaagt over te weinig middelen (350 miljoen). Ze verdient een behoorlijke toename, maar niet ten koste van de eerste geldstroom.

De vernieuwingsimpuls is bestemd, zegt de minister, voor baanbrekend onderzoek dat Nobelprijswinnaars kan opleveren. Ook hij zit graag voor een dubbeltje op de eerste rang. Zulke mensen, potentiële Nobelprijs winnaars dus, moet de universiteit in huis hebben. Afgezien van het feit dat men met het bedrag waarover het gaat geen Nobelprijzen kan winnen, moet je het natuurlijk voor toekomstige kandidaten wel aantrekkelijk maken. Je moet als assistent in opleiding wel zeer gemotiveerd zijn om die topprestatie te leveren voor een aanvangssalaris van 30.000 gulden per jaar; je beschikt over beperkte middelen, hebt weinig assistentie en je hebt na 4 jaar geen uitzicht op een vaste aanstelling. De besten hebben er zulk een schrale beloning wel voor over mits ze de gelegenheid krijgen op internationaal niveau grensverleggend onderzoek te doen.

EXTRA WAARDERING

De middelen uit de twee geldstromen zijn onvoldoende voor al het onderzoek. De onderzoekers aan de universiteit zoeken daarom aanvullende financiering bij de derde geldstroom (overheid, industrie, collectebus fondsen, stichtingen, etc.). Juist hooggekwalificeerde groepen maken de beste kans op dit soort steun. Men kan het zien als een extra waardering. Het mag echter geen afbreuk doen aan het typisch universitaire ongebonden onderzoek.

Fundamenteel onderzoek kan men niet door derden laten financieren. Op elk gebied van wetenschap wordt fundamenteel onderzoek verricht. Dat moet mogelijk blijven. Daar moet niet op bezuinigd worden, wel op dure folders, advertenties, reclamecampagnes, beleidspersoneel en representatieve kantoorgebouwen. Men moet de overheid nageven dat ze zich redelijk goed van haar taak heeft gekweten, hoeveel plannen het sterk op het maatschappelijk belang gerichte wetenschapsbeleid ook maakte. Bij de overheid zit je niet zo slecht. Dat blijkt ook uit de instelling van minister Hermans. Hij heeft na het besluit de overheveling van 500 miljoen gulden van de universiteiten naar NWO ongedaan te maken, met de nota aan de Kamer opnieuw zijn bezorgdheid getoond over het wetenschappelijk onderzoek in ons land.

Hoe goed de nieuwe maatregelen van de minister ook bedoeld zijn, hij verloochent de Nederlandse aard niet. Wij zijn een land van dominees en kooplui. NWO krijgt de opdracht een nationaal onderzoeksplan op te stellen gebaseerd op voorstellen van de universiteiten. Om de potentiële economische en maatschappelijke relevantie niet te verwaarlozen, moet rekening worden gehouden met door de Adviesraad voor Wetenschap en Technologie (AWT) op te stellen toekomstscenario's. De minister had toch bezwaren tegen een overmaat aan bureaucratie. De universiteit zowel als NWO moet zich nu sterk maken voor het fundamentele onderzoek. De universiteit door er voor te zorgen dat het ongebonden onderzoek meer ruimte krijgt en erkent dat de top zich bevindt op de werkvloer en niet in het bestuursgebouw. NWO door het toekennen van extra middelen aan het toptalent dat heeft getoond te weten welk onderzoek op dit moment grensverleggend is.

David de Wied is emeritus hoogleraar aan de UU en oudvoorzitter van de KNAW.

    • David de Wied