Dichtbij, en toch heel ver weg

In de grensstreek tussen India en Pakistan aan de Arabische Zee, waar onlangs een Pakistaans vliegtuig werd neergehaald, worden boeren nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van de deling tussen beide landen, 52 jaar geleden.

Hemelsbreed is het voor Hansraj Goradia maar een paar uur lopen naar Sukpur, het dorp waar zijn broer woont. Toch heeft hij Pradhan al in geen jaren gezien. Hansraj, een boer uit Pragpur in de deelstaat Gujarat, is Indiër; zijn broer Pradhan is een paar jaar jonger en drijft een klein winkeltje in de Pakistaanse provincie Sindh.

,,Hij mag dan Pakistaan zijn, hij blijft mijn broer'', zegt Hansraj in zijn huis van klei en stenen aan de Indiase kant van de grens. Maar als hij hem wil bezoeken duurt het een week om er te komen, schat hij. Als hij al een Pakistaans visum kan bemachtigen.

Een grensovergang tussen beide landen is er niet in de Rann of Kutch, een afgelegen, schaars bevolkte vlakte van afwisselend moerassen, ondiepe kreken en woestijngrond waar hoofdzakelijk nomadische stammen leven. Om zijn broer te zien moet Hansraj eerst een visum aanvragen bij de Pakistaanse ambassade in New Delhi, ruim duizend kilometer naar het noordoosten. Als hij dat weet te bemachtigen – en die kans is gering wegens de reisbeperkingen – moet hij bijna vijfhonderd kilometer verder naar het noorden, naar Amritsar, waar een paar keer per week een trein oversteekt naar de Pakistaanse stad Lahore. Als dat gelukt is, wacht hem een reis van nog eens vijftienhonderd kilometer door de verzengend hete woestijnen van Sindh, naar Pradhans dorp. ,,Dan ben ik bijna weer thuis'', zegt hij met een grijns.

De Goradia's zijn niet de enige familie die nog dagelijks te kampen heeft met de gevolgen van de deling van India en Pakistan. Talloze families zijn blijvend uit elkaar geslagen. Tijdens de oorlog tussen India en Pakistan om de afscheiding van het toenmalige Oost-Pakistan (Bangladesh), in 1971, viel het Indiase leger een paar uur binnen in Sindh. ,,Wij hadden binnen twee uur onze spullen gepakt en vertrokken naar India met het leger'', herinnert Hansraj zich. ,,Pradhan was iets verderop en kwam te laat.'' ,,Als hij toestemming zou krijgen van de regering zou Pradhan nog vandaag vertrekken'', zegt zijn moeder, die volgens Hansraj honderd jaar oud is. ,,Het leven is zwaar voor hindoes in Pakistan. Ze worden gediscrimineerd.''

Een andere familie, die van Abdul Karim, stamhoofd van de nomadische, islamitische Maldhari's, werd precies in tweeën gesplitst toen de grens tussen India en Pakistan werd getrokken. Generaties lang trokken de veefokkers met hun kamelen, koeien en geiten door de laagvlakte langs de Arabische Zee, dwars door de vallei van de Indus, helemaal tot aan Karachi, de grootste stad van Pakistan. ,,Op een dag werden we wakker en merkten we dat we niet meer verder mochten'', zegt Abdul. Het moet in 1965 zijn geweest, denkt hij. In elk geval was het oorlog en een aantal broers en zussen zat vast aan de Pakistaanse kant. Tot die tijd waren er nauwelijks reisbeperkingen- of documenten; wel grenstroepen, maar die deden volgens Abdul nooit moeilijk over de rondtrekkende nomaden.

Nu kunnen ze de Pakistaanse dorpen van hun familieleden alleen vanuit de verte zien liggen, zoals op de Kala Dungar, een vierhonderd meter hoge heuvel op een paar kilometer van de grens. ,,We kunnen niet eens bij hun begrafenis zijn om de laatste eer te bewijzen aan onze doden'', zegt een oude man van de Rabari-stam in de woestijn niet ver van Bhuj, de hoofdstad van de streek. ,,We sterven duizend doden omdat we elkaar niet kunnen bezoeken.''

Maar niet alleen de nomaden van Gujarat en Sindh zijn het slachtoffer van de vijandige relaties tussen India en Pakistan. Langs de kust van beide provincies beschouwen vissersfamilies elke dag dat hun mannen en zonen terugkeren van de rijke visgronden in de Arabische Zee als een zegen.

Patrouillerende marineschepen pakten de afgelopen jaren enkele honderden vissers op die de territoriale wateren zouden zijn binnengedrongen. De gevangenissen van de havensteden Porbandar, de geboorteplaats van Mohandas Gandhi, en Karachi puilen uit met Pakistaanse en Indiase vissers, die soms voor jaren vastzitten. Alleen al in Varanwada, een druk vissersdorp op het eilandje Diu vlak onder de kust van Gujarat, zijn de afgelopen jaren zeker vijfhonderd vissers gearresteerd door de Pakistaanse marine, zegt Lakhan Bhai Puja, voorzitter van de bootvereniging van Varanwada.

Dilip, nu zestien jaar oud, was twaalf toen hij met zijn vader de zee op ging, omdat het schoolvakantie was. ,,We hoorden 's ochtends vroeg plotseling schoten en werden aangehouden door een Pakistaans marineschip. Ze sneden onze netten door en namen ons mee naar Karachi.'' Hij verbleef drie jaar in een idhi-centrum, een gesloten tehuis voor jeugdige delinquenten, voordat hij met 37 andere Indiase kinderen werd vrijgelaten. Zijn vader bleef een jaar langer in de Landhi-gevangenis van Karachi. Zijn moeder bleef met een gezin van zes kinderen achter, zonder inkomsten. ,,Mijn moeder is gaan werken in de bouw'', zegt Dilip.

,,We spreken dezelfde taal – sommige vissers in dit gebied hebben zelfs familie aan de andere kant'', zegt Lakshmi, een jonge visser die ruim een jaar vastzat in Karachi. ,,Onze families vissen al eeuwen in deze wateren. India en Pakistan bestonden toen nog niet eens. En nu hebben ze nog steeds geen afspraken gemaakt over de zeegrens in de Arabische Zee. Ze verknallen jaren van ons leven wegens de nationale belangen.''

De Indiase autoriteiten geven zonder omwegen toe dat ze Pakistaanse vissers gevangen nemen uit vergelding voor de arrestatie van Indiase vissers. ,,Als zij een aantal Indiase boten in beslag nemen, doen wij hetzelfde met hun vissers'', aldus een woordvoerder van de kustwacht. Slechts af en toe, zoals aan het begin van dit jaar toen India en Pakistan plotseling op tamelijk vreedzame voet leken te leven, wordt een groep vissers van gelijke grootte vrijgelaten, meestal enkele tientallen. Maar inmiddels, na de incidenten in Kashmir en langs de zuidelijke grenzen, is daarvan geen sprake meer en is het wachten op een nieuwe periode van ontspanning.