De laatste harpoenier

De lichtbruine irissen omrand door staar, en die bezonken, kalme manier van doen van iemand die niets meer hoeft te bewijzen. Maar als Athneal Olivierre over de walvisjacht begint te praten, groeit hij een paar centimeter en bliksemt het in zijn ogen. Dit voorjaar nog heeft hij, 78 jaar oud, twee bultruggen geharpoeneerd.

Twee per jaar mag hij er vangen van de International Whaling Commission (IWC), in het kader van `aboriginal subsistence'. Hier op Bequia, een Caraïbisch eilandje van 18 vierkante kilometer, behorend tot St.Vincent & the Grenadines, doen ze het nog op de traditionele manier. Met een ongemotoriseerde zeilboot van 26 voet (nog geen 8 meter) en zes bemanningsleden worden de ongeveer 18 meter lange zoogdieren gevangen. Olivierre vaart uit in het vroege voorjaar, als de bultrug – vaak hebben de moeders een kalf – richting zuiden trekt en de Grenadines passeert. Dit jaar zou Olivierre een moeder gedood hebben, wat tot woedende reacties leidde bij de tegenstanders van de jacht.

Bequia was in het begin van deze eeuw het centrum van de walvisvangst in de Caraïben. Tientallen werden er toen per jaar gedood, tot de verschillende jagers elkaar de steeds schaarser wordende buit letterlijk betwistten, en de visserij plus bijbehorende verwerkingsindustrie verdween.

Nu is Olivierre de enige walvisjager in het gebied. Armen als scheepskabels. Hoe kom je zo sterk? Hij lacht verlegen. ,,Zo geboren denk ik, en, in de maanden van de jacht, iedere ochtend een bekertje levertraan. Toch kon ik nooit veel eten'', voegt hij eraantoe, en zijn blik glijdt langs zijn magere lichaam.

Hij vertelt, eerst nog achteloos. ,,Het is eigenlijk gekkenwerk: als je hem niet meteen op de goeie plek raakt, slaat zijn staart je boot om; of hij zwemt onder de boot en licht die op, of hij trekt je de diepte in.''

,,Blows, mon Blows!'', hadden de jagers traditiegetrouw geroepen toen ze de spuit van de walvis zagen, vlakbij de boot. Olivierre, op de voorplecht, dreef de harpoen met de scharnierende pijl trefzeker in de dikke rug, en terwijl de getroffen bultrug weer onderdook, rolde de lijn van 140 vadem (ruim 250 meter), langzaam af. Een kwartier, 20 minuten en nog kwam het getergde dier niet boven, trok het touw strak als een veer, de boeg verdween krakend onder water: ,,Er was geen houden meer aan. Ik herinner me de gezichten, heb je ooit een zwarte man lijkbleek zien worden?''

De boot ging volledig onder. ,,Ik moest hem laten gaan.'' Olivierre dook naar de metersdiep zwemmende walvis, kroop op de rug en sneed het touw door. Twee uur later waren alle bemanningsleden weer terug in de boot, vrij met de schrik.

,,Het zit in het bloed ... opa was een walvisjager, en drie van zijn zonen. Ik moest ook, I love it like a sport'', zegt Olivierre, nu haast grommend. Hij bouwde zijn eigen boot, ging een paar keer met zijn ooms mee, en toen zelf de zee op. ,,De eerste twee jaar ving ik niks.'' De familie stond versteld toen hij in het derde jaar terugkwam met een walvis. ,,Ze namen me op de schouders, het duurde uren voor ik wat kon eten, of drinken.'' Angst? ,,Nee, ik ben nooit een minuut bang geweest.''

In zijn woning annex museumpje hangen imposante walvisbotten naïef beschilderd met de spannendste jachtervaringen van `The last harpooner', een model van de zeilboot, een koperen pistool van 20 kilo, een gesigneerde foto van Clint Eastwood, die Olivierre opzocht na verhalen over hem gehoord te hebben.

Het zag er lang naar uit dat met Olivierre de walvisjacht op Bequia voorgoed ter ziele zou gaan, maar de twee 40+-zonen gaan het vak toch leren: scubadiving leverde niet genoeg op, is vaders nuchtere verklaring. Stralende lach, en òf hij blij is dat de fakkel wordt overgenomen.

Maar de tegenstanders roeren zich. Op Internet en in de plaatselijke media worden de `walvismoordenaars' in felle brieven veroordeeld. Olivierre lijkt zich er niet over op te winden en laat zich evenmin vermurwen tot uitspraken over het strenge quotum van de IWC. Vragen in die richting stuiten op een lang zwijgen. ,,De Japanners vingen afgelopen jaar bijna 500 walvissen, voor `wetenschappelijke' doeleinden, en de Noren trekken zich niks van de Commissie aan en hebben ruim 600 walvissen gedood.'' Waar hebben we het over, wil hij maar zeggen.

Niemand pretendeert overigens dat het een eeuwenoude traditie is: de eerste walvis in Bequia werd gevangen in 1875. Toen na de afschaffing van de slavernij de suikerplantages een voor een failliet gingen, bood de jacht de eilandbewoners een nieuwe manier om in voedsel en grondstofbehoefte te voorzien. ,,Vang één walvis en je hebt veel, heel veel walvis'', aldus Olivierre: vlees voor maanden, dat gepekeld en gedroogd wordt, olie om in te bakken, zeep van te maken. Het nieuws van een vangst wordt onmiddellijk over de radio uitgezonden en dan is het feest op het eiland. De circa 100 man die meehelpen om het dier op het strand te trekken en in handzame stukken te verdelen krijgen gratis een deel. De rest wordt verkocht; van alle Grenadines komen ze om een pond vlees voor 5 dollar te bemachtigen.

Waarschijnlijk is de economische waarde voor het toerisme groter. Nu ook de houtenbotenbouw van Bequia door het alomtegenwoordige polyester is verdrongen, vormt het toerisme de belangrijkste inkomstenbron. Olivierre in zijn museumwoning is een trekpleister van formaat. Talloze malen heeft hij geposeerd met zijn lange arm op de walviskaak van de 48 voet lange bultrug die hij zeven jaar geleden in zijn eentje, zonder bemanning, harpoeneerde. ,,Kom naast hem staan, voor de foto'', zegt de dikke Amerikaanse moeder tegen haar dikke dochter, ,,he's a celebrity.''

De eilandbevolking is dus voor de walvisjacht. ,,Wij gebruiken alles van de walvis, het vlees, de olie, de baleinen'', rechtvaardigt de verkoopster in de Bequia Bookshop de jacht. Toch heeft ze nog nooit van het vlees gegeten. ,,Neeee'', zegt ze met grote ogen, ,,een walvis eten? Dat is net zoiets als een mens eten.''

    • Edith Schoots