de diplomaat

Een paar jaar geleden raakten de betrekkingen tussen Nederland en Frankrijk verstoord door de verschillende visies van Parijs en Den Haag op de te voeren drugspolitiek. Frankrijk hield Nederland min of meer verantwoordelijk voor de drugsproblematiek in de Noord-Franse steden. Probleemjongeren uit Lille gingen immers naar Rotterdam om op een gemakkelijke manier drugs te scoren of te verhandelen. Toen Frankrijk ons land uitmaakte voor `narcostaat', was de maat bijna vol. Er moest iets veranderen. Den Haag besefte dat het de Nederlandse drugspolitiek beter voor het voetlicht van de Franse autoriteiten zou moeten brengen. De Rotterdamse korpschef Rob Hessing werd naar Parijs gestuurd om het beleid en de effecten daarvan uit te leggen. Hessing is nu al een tijdje verbonden aan de Nederlandse ambassade in Parijs. Hij heeft een diplomatieke status gekregen.

Rob Hessing is geen uitzondering. Overal ter wereld hebben Nederlandse ambassades mensen in dienst met specifieke kennis en vaardigheden. In het Midden-Oosten kunnen arabisten als ambassaderaad of attaché werkzaam zijn. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingswerkers in Afrikaanse landen. Het bezitten van speciale vaardigheden is één manier om diplomaat te worden. De klassieke methode is het `klasje' van het ministerie van buitenlandse zaken. Het departement in Den Haag selecteert per jaar tussen de tien en de twintig studenten voor de opleiding tot overplaatsbaar beleidsambtenaar.

Overigens is ook het diplomatenklasje niet meer echt klassiek. Voorheen kreeg het klasje les op Clingendael, het eerbiedwaardige instituut voor buitenlandse betrekkingen in Den Haag. Maar ook buitenlandse zaken heeft zich moeten onderwerpen aan Europese regelgeving; de opleiding van het toekomstige Nederlandse diplomatieke dienst is openbaar aanbesteed, en wordt nu verzorgd door een combinatie van de Rijksuniversiteit Groningen en het Rijksopleidingsinstituut. Over het algemeen vervullen mensen die het klasje net hebben afgerond eerst een functie op het ministerie om thuis te raken in het vak en in het Haagse. Daarna worden ze pas bij een ambassade, een consulaat of een permanente vertegenwoordiging (bijvoorbeeld de Verenigde Naties) geplaatst.

Het diplomatiek personeel is ingedeeld in rangen en standen, waarbij – naar analogie van de krijgsmacht, de ambassadeur de generaal is. De salarissen zijn afhankelijk van de rang die iemand bekleedt. Ook de importantie van het land speelt een rol. Ambassadeurs vallen in schaal 15 tot en met 20 van de CAO voor rijksambtenaren, maar de hoogste baas van de diplomatieke post in Japan verdient meer dan zijn ambtsgenoot in Boedapest. De ambassadeur van Nederland bij de Verenigde Naties valt over het algemeen in schaal 19, maar nu Nederland een van de niet-permanente zetels van de Veiligheidsraad bezet, is de functie tijdelijk hoger ingeschaald. Hetzelfde geldt voor de andere hogere rangen bij een ambassade. Een ambassaderaad (schaal 13 t/m 16) of een gevolmachtigd minister (schaal 15 t/m 17) verdienen meer als het land een belangrijker positie inneemt in de wereldpolitiek. Andere diplomatieke rangen zijn die van eerste secretaris (schaal 12 en 13), tweede secretaris (schaal 11) en derde secretaris. (schaal 10) De kanselier is de sergeant-majoor van de ambassade die zorgt dat in organisatorische zin alles goed marcheert. Voor de buitenwereld is het een diplomaat, terwijl het feitelijk een administratief ambtenaar is.

Een post die iets minder duidelijk is, is die van attaché, wat alleen betekent 'verbonden aan'. Een ambtenaar van het ministerie van landbouw kan voor een paar jaar gestationeerd worden bij een ambassade in een ontwikkelingsland, maar een brigadegeneraal kan ook attaché zijn. Diplomaten geven juist vanwege de vaagheid van het begrip nogal eens de voorkeur aan de rang attaché, misschien omdat de bijbehorende status even vaag is. Vaste schalen zijn er niet voor deze functie.

Het inkomen van een diplomaat is niet alleen afhankelijk van rang en status. Een belangrijk deel van het inkomen wordt bepaald door de buitenlandvergoeding: de vergoeding die diplomaten krijgen om uitgaven te betalen die ambtenaren van een gelijk niveau in Nederland niet hoeven te maken. Vroeger waren de vergoedingen minder duidelijk. ,,Dan wist een handige kanselier er nog wel eens iets uit te krijgen waaraan een andere collega niet gedacht had'', aldus een woordvoerder die zelf jarenlang in de diplomatieke dienst werkzaam is geweest. Nu zijn de vergoedingen vastgesteld volgens internationale normen. De hoogte is niet zozeer afhankelijk van de rang, maar van daadwerkelijk gemaakte kosten en omstandigheden van een land. Zo zit in de onkostenvergoeding een zogenoemde standplaatstoelage voor de kosten die vastzitten aan de specifieke omstandigheden van een standplaats. Een diplomaat met gezin krijgt geld om zijn familie te huisvesten en – in geval van kinderen – te scholen. Representatiekosten zijn bedoeld voor kleding, schoeisel maar bijvoorbeeld ook tafellinnen. En diplomaat moet tenslotte behoorlijk de tafel kunnen dekken voor belangrijke gasten. In de onkostenvergoeding is ook een koopkrachtcorrectie opnemen. Wie in een duur land zit, krijgt meer, maar andersom geldt ook dat in een voor Nederlandse maatstaven goedkoop land minder geld wordt uitgekeerd. (`negatieve correctie') In de praktijk betekent dit dat een ambassadeur in Oost-Europa minder ontvangt aan onkostenvergoedingen dan een diplomaat in Zuidoost-Azie, die halverwege de diplomatieke ladder staat.

Een geval apart zijn de honorair consuls, de onbetaalde vertegenwoordigers van Nederland. Zij zijn gestationeerd in landen waar Nederland niet zoveel belang aan hecht dat het de uitgaven van een ambassade rechtvaardigt. Honorair consuls krijgen als dank voor bewezen diensten een onkostenvergoeding en de status. Zij mogen een schildje dragen, hun nummerbord aanpassen en kunnen een chic bordje bij de voordeur plaatsen.