Auteursrecht wetenschap is niet van wetenschapper

Auteursrecht van wetenschappelijke publicaties berust nog bij de wetenschappers. Ten onrechte, schrijft Gerard Schuijt.

Er is een knuppel in het wetenschappelijke hoenderhok gegooid. In een artikel dat volgende week verschijnt in het tijdschrift Informatierecht verwerpt prof.mr. Gerard Schuijt van de Universiteit van Amsterdam alle argumenten die in de loop der jaren zijn aangevoerd om medewerkers van universiteiten uit te zonderen van het zogenoemde werkgeversauteursrecht.

Er is, volgens Schuijt, geen goede reden om wetenschappers niet net als bijvoorbeeld ambtenaren en journalisten te laten vallen onder artikel 7 van de Auteurswet uit 1912, dat de rechtsverhouding regelt tussen werkgever en werknemer indien de arbeid bestaat uit het vervaardigen van bepaalde auteursrechtelijk beschermde werken. Het auteursrecht van de door deze werknemers gemaakte werken valt volgens dit wetsartikel toe aan de werkgever, omdat deze in dit artikel tot de formele maker van deze werken is bestempeld. Volgens Schuijt zijn wetenschappers net als andere werknemers in dienst van de universiteit en kunnen hun publicaties, hoe bijzonder ook, wel degelijk worden aangemerkt als de producten die de wet voor ogen staat. Schuijt noemt zijn artikel ,,een eenmansactie''.

Veel juristen zijn bang dat als wetenschappers onder het regime van artikel 7 vallen, universiteiten het recht zouden hebben om een publicatie tegen te gaan of een verslag van wetenschappelijk onderzoek voor publicatie te wijzigen. Ook zouden universiteiten dan ongehinderd de publicaties kunnen exploiteren. Maar deze angst is nog geen reden om de wet onjuist te interpreteren, schrijft Schuijt, en voor ongewenste gevolgen kunnen regelingen getroffen worden. Om de academische vrijheid te waarborgen zouden de onderhandelende partijen tijdens CAO-besprekingen te rade kunnen gaan bij het redactiestatuut in de dagbladsector, suggereert Schuijt, ,,of voor mijn part bij de kerkorde, waarin geregeld is hoe de classis toeziet of predikant, ouderlingen en diakenen hun ambt getrouw waarnemen en of zij geen onschriftuurlijke leringen aanhangen en verbreiden''. Ook universiteiten moeten zich immers als goed werkgever gedragen. Over de exploitatie van publicaties kunnen afspraken worden gemaakt, vindt Schuyt, die verklaart er begrip voor te hebben dat universiteiten willen delen in de financiële opbrengst van publicaties die onder werktijd en met hulp van de universitaire infrastructuur zijn vervaardigd. De universiteiten die toch al moeten bezuinigen moeten vaak betalen voor tijdschriften en studieboeken waarin publicaties zijn opgenomen van eigen medewerkers.

De discussie over de auteursrechten flakkerde vorig jaar op, door een voorstel voorafgaand aan de CAO-besprekingen van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) om de auteursrechten, die nu nog volgens Schuijt ten onrechte verondersteld worden bij de wetenschappers zelf te berusten, over te dragen aan de universiteit, zelfs ongeacht of een publicatie was vervaardigd in werktijd of daarbuiten. Woedende reacties waren het gevolg. In het Nederlands Juristenblad suggereerde de jurist en advocaat Dirk Visser dat in dat geval ook schrijvers als J.J. Voskuil en Maarten 't Hart die tevens bij een universiteit werkzaam zijn, gevraagd kon worden hun auteursrechten voor hun romans in te leveren bij de universiteiten. Uiteindelijk kwam er bij het CAO-akkoord een gezamenlijk communiqué van universiteiten en bonden, waarin zij verklaarden nadere afspraken te willen maken waarbij geen afbreuk zou worden gedaan aan de academische vrijheid en aan de persoonsgebonden rechten van de werknemer.