Verloren droomschepen

Iedereen zal wel eens de poster van Von Stein gezien hebben, als achtergrond bij televisieprogramma's of anderszins. Die poster van dat verstilde, zilvergrijze schip, dat de zee eronder doet oplichten. Met een zwarte strook land op de voorgrond en hoge, al donkere, lijnrechte palmboomstammen rechts. Een smalle rookpluim stijgt recht omhoog in de schemerblauwe atmosfeer. Om dàt schip, de Baloeran uit 1930 en het zusterschip uit 1931, gaat het in Dempo en Baloeran. De mooiste schepen van het Oosten.

Beide waren genoemd naar vulkanen in Nederlands-Indië, maar braakten, de poster suggereert het al, geen dikke rookwolken uit. Dieselmotoren gaven 17 knopen (32 km/uur), niet weinig maar ook niet veel. Stoom was op de vaart naar Nederlands-Indië in de jaren dertig al ouderwets.

In die tijd was de Nederlandse architectuur internationaal gezien een lichtend voorbeeld. Dat gold niet alleen voor de `nieuwe architectuur' van Oud, Rietveld, Brinkman en Van der Vlugt, maar ook voor hun functionalistische interieurs, die de art deco en art nouveau begonnen te verdringen. Passagiersschepen boden een directe inspiratiebron voor dit functionalisme. Niet voor niets hebben veel gebouwen uit die tijd vaak nautische kenmerken. In Vers une Architecture uit 1923 beriep Le Corbusier zich voor zijn architectonische vernieuwingen expliciet op het uiterlijk van passagiersschepen, op `ingenieurskunst' dus. Hij dacht daarbij aan hun hoekige stijl, die tegen 1890 tot wasdom was gekomen en pas rond 1930 zou veranderen.

De Baloeran had al kenmerken, zoals een korte schoorsteen, die de bijna gelijktijdig in de vaart gekomen Statendam, een van de laatste schepen in de `1890 stijl' ouderwets doet lijken. Toch was de Baloeran nog niet – om met Rudy Kousbroek te spreken – `zo'n uit zijn krachten gegroeide opblaasboot die uit louter rondingen bestaat, maar een echte mailstomer, geheel met de lineaal getekend door strenge ingenieurs, mensen wier hoofd niet stond naar gekheid.'

Nico Guns, de auteur, gaat er niet op in, maar er was iets merkwaardigs aan zulke passagiersschepen. Het zou voor de hand liggen dat deze varende voorbeelden van architectonische vernieuwing ook met de bijbehorende interieurs de wal de weg zouden wijzen: functionele (buis)meubelen en strakke, vaak lichte, wanden. Het tegendeel was het geval. De vele illustraties laten geen twijfel.

De Baloeran werd ingericht door Johan P. Mutters (de Vierde), die daarvoor al passagiersschepen voor de Rotterdamsche Lloyd had ingericht. In zwierige art deco met nadrukkelijk ronde lijnen. Zo'n interieur moet men zich voorstellen met dure (ook donkere) houtsoorten, draai smeedwerk, vloertapijten, wandtapijten, mozaïeken en ornamenten. Beide laatste ook van glas, een materiaal dat verder werd gebruikt voor versierde panelen en plafonds, hetzij in koepels zoals op oudere schepen, hetzij plat zoals boven de eetzaal van de Baloeran.

De glazen lichtornamenten werden verzorgd door de nu internationaal beroemde Copier. Mutters zelf kan moeilijk aanspraak maken op een dergelijke faam. Niet ten onrechte besteedt de auteur extra aandacht aan de uit België afkomstige Semey, ter zee later bekend door zijn eetzalen voor de Nieuw Amsterdam, al beperkte hij zich op de Baloeran klaarblijkelijk tot wandtapijten.

De inrichting van de Dempo werd verzorgd door Willem Kromhout, maar met minder opzichtige rondingen. Dit gaf de Dempo iets statigs, het interieur van de `social hall' heeft ook iets onmiskenbaar Indisch. Ondanks het sterk versierde innerlijk van het schip had Kromhout toen al veel gedaan voor de moderne architectuur in Nederland: in 1920 had hij daarvoor een baanbrekende vereniging opgericht, Opbouw. Maar bekender zal bij velen toch zijn creatie uit een vroegere, zwieriger periode aan het Amsterdamse Leidseplein blijven: Het American Hotel.

Toch waren deze schepen in hun niet zeer functionele stijl zeker niet ouderwets ingericht. Als sinds 1907 was men begonnen de interieurs van de Indiëboten als een eenheid te behandelen in een voor die tijd oorspronkelijke, moderne stijl. Hoe anders dan de grote transatlantische schepen met hun negentiende-eeuwse ratjetoe van geïmiteerde oudere stijlen, waarmee net als bijvoorbeeld in 1912 de Titanic, nog in 1929 de Statendam dorst te verschijnen. Voor elke ruimte een andere eeuw.

De Dempo en Baloeran vormden nog niet de afrekening met de negentiende eeuw. Pas op de transatlantische Nieuw Amsterdam uit 1938 vloeiden interieur en exterieur meer ineen dan voorheen. Van binnen was de Nieuw Amsterdam een combinatie van functionalisme met een zeer luxe, maar late, strakke art deco. Van buiten deed het schip prachtig symmetrisch en functioneel aan met een golfje art deco: veel leek recht zoals bij gebouwen en tegenwoordige schepen, maar was in werkelijkheid licht gekromd.

Wat een goede scheepsbiografie als deze zo aantrekkelijk maakt, is dat het oude Renaissance-ideaal erin wordt waargemaakt: allerlei tegenwoordig gescheiden terreinen zijn erin verenigd. Uitvoerige technische beschrijvingen worden gevolgd door kunsthistorische, waarna de blik zich richt op het menselijke. Al zou dat menselijke beter wat verhalender kunnen worden uitgewerkt dan in de opsommig van reizen, waarin het slechts via excerpten uit het scheepsjournaal aan bod komt.

Daarvoor is ruimte genoeg op de 500 royale pagina`s, met werkelijk een zee van foto's en tekeningen, waarin alle aspecten worden behandeld, inclusief het reclamemateriaal, waarbij de latere Vermeer-vervalser Han van Meegeren eruit springt. Al beeldt die niet zozeer de Baloeran af, maar meer een vage achtergrond voor een savoir-vivre op zee.

Jammer is dat een aantal illustraties aan de kleine kant is. Vooral de kleurenafbeeldingen van de interieurs en ook veel foto's ervan, inclusief de `kiekjes' waarop mensen centraal staan, zouden meer gedetailleerd, dus groter, kunnen. De twee schepen overleefden de Tweede Wereldoorlog niet. De Dempo, die geallieerde troepen vervoerde, ging door een Duitse torpedo ten onder, de Baloeran, in Duitse dienst, eind 1943 door een mijn en luchtaanvallen. Beide zijn jong verdwenen, maar nu monumentaal vereeuwigd.

Nico Guns: Dempo en Baloeran. De mooiste schepen van het Oosten. Soeren en Co, 478 blz. ƒ95,–