Van sommige dingen snapt iemand niks

De personages die toneelschrijver Peer Wittenbols ontwerpt zitten opgesloten, in hun huiskamer, met hun familie.

Mees en Boncke kunnen hun plas niet ophouden. Bil heeft aambeien. Jo Muis, Mees en Pheres dementeren. Lux heeft kanker. In de toneelstukken van Peer Wittenbols lopen heel wat mensen rond met een lichamelijk mankement. Tevergeefs proberen zij zich te verzetten tegen de voortschrijdende aftakeling. Wittenbols' werk gaat over de angst voor het verval, in de benauwend kleine wereld van het middenstandsgezin.

Wittenbols (Bergen op Zoom, 1965) schreef zijn eerste toneelstuk, Zeestuk, in 1994. Nu, vijf jaar later, is hij bezig aan zijn tiende toneelstuk en zijn tweede hoorspel. Hij schrijft al zijn stukken voor Theatergroep De Federatie, een Maastrichts ensemble dat hij zelf heeft opgericht, samen met zijn vaste regisseur Rob Ligthert. Op 10 september aanstaande onvangt hij de driejaarlijkse H.G. van der Viesprijs voor zijn toneelstuk Noordeloos. Komend seizoen gaan in Maastricht twee nieuwe toneelstukken van hem in première: Erfdragers en Kersenbijter.

In tegenstelling tot werk van generatiegenoten, kunnen Wittenbols' toneelteksten ook goed los van de voorstelling bestaan. Ze zijn gewoon als boekjes op de bank te lezen. Als je Wittenbols' werken achter elkaar leest, valt op dat hij reeds vroeg een eenvoudige maar doeltreffende eigen vorm vond, en dat hij daar sindsdien consequent aan heeft vastgehouden.

Wittenbols heeft een heel eigen taal, een wonderlijk, weerbarstig dialekt dat niet bestaat. Hij schrijft zeer korte zinnen waaruit al het overbodige is weggesneden, iets dat hem verbindt met tijdgenoten als toneelschrijver Oscar van Woensel. Zijn personages praten associatief, in trefwoorden, in een Nederlands dat net niet helemaal klopt: ,,Van sommige dingen snapt iemand niks.'' In deze stijl kiest hij ook zijn titels (Doodrijp, Noordeloos, Tweeduister, Erfdragers) en zijn namen (Boncke, Mon, Tocht, Heen, Janke), korte klanken die even aan het oor blijven haken, en die niet in het woordenboek passen.

Wittenbols ontleent veel aan de spreektaal. Zijn personages zeggen `die' als ze `hij' bedoelen: ,,Die begint steeds meer op zichzelf te lijken.'' Hier en daar gooit hij er modewoorden tussen, zoals `qua' en `het financiële plaatje'. Ook lardeert hij zijn dialogen graag met cliché-uitdrukkingen als: ,,Commandeer je hondje en blaf zelf.''

Zijn herkenbare stijl heeft hij vervolmaakt in zijn (voorlopig) beste toneelstuk, Noordeloos. Lux, een vrouw met kanker, bekijkt een serie foto's waarop ze zichzelf voor het eerst ziek ziet afgebeeld: ,,Gele vrouw nog één keer op de kermis. Dikke arm touwtje trekken. Dikke arm schieten. Beer onder de dikke arm. Dikke arm, ijsje. Pruik op. Oppassen voor de wind.''

Of hij nu over de Griekse godenwereld schrijft of over een wasserij van hotellinnen, altijd gaan zijn stukken over een familie. In de inleiding van het tekstboekje Doodrijp, Zog schrijft Rob Ligthert, de regisseur: ,,De Familie, de hondenmand van menselijke emoties. De plaats waar alle soorten verlangens ontstaan en broeien. Een micromaatschappij waarin alles wat (on-)menselijk is zich overzichtelijk laat tekenen.''

Het liefst kiest Wittenbols voor middenstandsgezinnen. Een wereld waarin hij zelf opgroeide, zijn vader had een groothandel in levensmiddelen. Meer nog dan in andere gezinnen zijn gezinsleden in een familiebedrijf op elkaar aangewezen, omdat werk en familieleven samenvalt. In het milieu dat Wittenbols schetst is verbale begaafdheid niet erg ontwikkeld, wat een soort poëzie van het onvermogen oplevert. Wittenbols' sympathie gaat uit naar de eenvoudige lieden die het allemaal ook niet weten.

Kankeren

Alle gezinnen van Wittenbols lijken op elkaar. De ouders zijn in de zestig, de kinderen doorgaans in de dertig. De vaders zitten in een stoel te kankeren, de moeders proberen er nog wat van te maken. Dochter zit te smachten. Zoon levert cynisch commentaar, in een vergeefse poging zichzelf buiten te sluiten. De zoon in Smegma zet zijn commentaar om in vieze gedichten: ,,Witte maagd, wees op uw hoede/ U hebt geen vermoeden van de woede/ Van mijn kaasomkraagde roede/ Die uw schootje wil zien bloeden.''

Smegma, waarin het gezin bijeenzit op oudejaarsavond, doet aan De avonden van Gerard Reve denken. Niet alleen door de lakonieke commentaren van de zoon (,,Mama, u huilt. Pa snel. De vrouw is nat.''), maar ook door de pogingen van de moeder om de gezelligheid erin te houden: ,,Ik heb thee, ik heb koffie, ik heb appelcider, ik heb bier.'' Net als de familie Van Egters in De avonden, zit Wittenbols' archetypische gezin in een huiskamer, verstikkend dicht op elkaar. De oude Griekse tragediewet, die eenheid van tijd, plaats en handeling voorschrijft, is bij Wittenbols heilig. Zelden gunt hij zijn familie een uitstapje. De huiskamer is hun universum.

Wittenbols' gezin leeft in een vacuüm. Er is geen buitenwereld. Nooit praten de gezinsleden over wat er buiten gebeurt. Alleen in Zog komt een buitenwereld voor; de wereld die de godin Demeter vernietigt omdat haar dochter Kore is ontvoerd door oom Hades. Maar de wereld is voor de goden een abstractie, waarover ze praten als ware het een moestuin die Demeter laat verpieteren. De leden van de godenfamilie zijn net zo erg op elkaar aangewezen als hun sterfelijke pendanten.

Wat opvalt in Wittenbols familiedrama's is de meedogenloze wijze waarop de personages elkaar op tekortkomingen wijzen. ,,Ik zeg het maar gewoon eerlijk'' is een veelgebezigd cliché. De personages leggen hierbij een voorkeur aan de dag voor `vieze praatjes' die in gewone gezinnen juist worden vermeden. De zoon in Smegma rijmt: ,,Gij zijt de gezegende onder de vrouwen. Maar godallejezus, de lucht van uw schoot.''

Vooral de mannen gaan tekeer tegen de vrouwen. ,,Je rook wel sterk vanochtend,'' zegt de vader in Smegma tegen zijn vrouw. Doorlopend wijst hij `vieze Annie' op haar overdadige zweetproductie. In Erfdragers verwijt de vader, De Frel, zijn dochter keihard dat ze geen kinderen krijgt: ,,Nou slaap jij al dik zes jaar met zijn tweeën, maar om nou te zeggen: `God, God, wat is die zwanger!''

Naast de lust om de waarheid te zeggen, tonen de mannen ook een grote onverschilligheid aangaande het leed van de vrouwen. Troosten is er niet bij. Wie verdriet heeft, of pijn, kan op een schampere en geërgerde opmerking rekenen. Boncke zegt tegen zijn dochter in Doodrijp: ,,Verdriet zonder waarachtige grond is lelijk, lelijk, lelijk (...) Dat je problemen hebt, is nog geen excuus om ongelukkig te zijn.''

Medische encyclopedie

Favoriet onderwerp in Wittenbols' dialogen is het lichamelijk verval. Dat is, zo nodig, wel psychologisch te duiden. In een interview met deze krant onthulde Wittenbols twee jaar geleden: ,,Ik ben een hypochonder (...) Zo'n beetje de hele medische encyclopedie heb ik al gehad.''

Eindeloos praten de gezinsleden over aambeien (,,Loop toch niet zo raar''), incontinentieluiers, miskramen, onvruchtbaarheid. Lux, die voor bestraling in het ziekenhuis ligt, praat in Noordeloos schrijnend berustend over haar behandeling: ,,Mijn ring niet en mijn gebit niet. De machine moet zoveel mogelijk vrijheid krijgen. Liggen, mevrouw. En dan begint het. Dan heb je spijt dat je niet meer bidt. Ik dacht: `Nou komt het.' Maar toen: niks. Je ligt in het licht en verder niks. En dan: aankleden, even koffie en klaar. En misselijk als in de brochure.''

Wittenbols' mannen praten veel over lichamelijk ongemak omdat ze worden gedreven door een diepe angst voor het verval. ,,Vroeger hield mijn oor met gemak een potlood,'' zegt vader Boncke in Doodrijp, ,,nu staan ze te ver van mijn hoofd. Al zeker vijftien jaar voor niets grijpen.'' Verderop zegt de incontinente man: ,,Ik heb een voorkant en een achterkant en daartussen zit een hoop verdriet.''

De angst voor lichamelijke aftakeling kan samenhangen met de angst dat dit verval op den duur ook de liefde aantast. Kun je nog houden van een persoon die een zwakke afspiegeling is van de jonge, gezonde schoonheid die hij was? Wittenbols schrijft vertwijfeld: ,,Je zegt van wel, maar in je maag weet je het niet zeker.'' De Beatles zongen het reeds: ,,Will you still need me/ Will you still feed me/ When I'm sixty-four?''

Wittenbols heeft dit thema uitgewerkt in Tweeduister. De Griekse koning Admetus wil onsterfelijk worden. Niet omdat hij bang is voor de dood, maar omdat hij bang is dat zijn vrouw niet meer van hem zal houden als hij oud en lelijk wordt. Zijn broer Silo stookt hem op: ,,Als de man van je bed je broer wordt, dan je vader en dan je patiënt, dan is lust kwijt en lig je met een vreemde in bed.''

De prijs voor Admetus' onsterfelijkheid is dat iemand anders vrijwillig voor hem moet sterven. Zijn ouders zijn echter nog te wilsbekwaam om daarmee in te stemmen. Daarom offert zijn vrouw Alkestis zich op. Admetus is nu zuur, want met haar zocht hij juist de eeuwige liefde. Nu is hij voor niets onsterfelijk geworden. Het mooie aan de mythe is dat Admetus een tweede kans krijgt. Alkestis mag terugkeren als blijkt dat Admetus haar liefde waard is. Tweeduister is Wittenbols' enige stuk dat min of meer goed afloopt.

Wittenbols' vrouwelijke personages hebben opmerkelijk minder moeite met de aftakeling. Ze hebben ook een veel groter vermogen om opofferend lief te hebben, hoewel hun mannen het nauwelijks verdienen. Alkestis offert zich op voor haar egoïstische man. En Lux in Noordeloos blijft zorgzaam aan haar man denken, ook al doet hij bot en onverschillig over haar ziekte: ,,Koud was het. En bibberend licht aan het plafond. Moest ik eerst wachten tot ik honger had. Dan duurt de tijd lang. Vooral als er een klok hangt. Maar ik mocht zo veel lezen als ik wou. Ik lezen. Alles wat er lag gelezen. Ik heb voor jou nog dingen gelezen. Over auto's.''

Dat is ware liefde en zorgzaamheid. In het ziekenhuis een tijdschrift lezen voor je man. Over auto's. Hartverscheurend, vooral als je bedenkt dat haar man, in afwachting van Lux' dood, alvast naar bed gaat met zijn schoonzus. Ook hij verdient niet zoveel liefde. Deze scène is een van de warme momenten die ook belangrijk zijn in het treurige familieleven dat Wittenbols beschrijft in zijn toneelstukken. De lieve stewardess Janke schetst in Ochtendkroniek treffend de man-vrouw verhoudingen in Wittenbols' werk: ,,Gisteren schopte een man zijn vrouw in de knieholte en die vrouw zei: kijk uit voor je nieuwe schoenen.''

`Erfdragers', tournee van Theatergroep De Federatie vanaf 28-10. `Kersenbijter' op locatie in Maastricht vanaf februari 2000. `Doodrijp', `Zog', `Noordeloos' en `Tweeduister' zijn in boekvorm uitgegeven door De Federatie en Uitgeverij IT&FB. Inl. 043-3252770

    • Wilfred Takken