Vakkundige klaagzangen

Een kind speelt op een berg: dat klinkt als poëzie. Maar sinds Durs Grünbein weet waaruit die berg bestond is zijn blijdschap passé, voorgoed. Puin en as, daar was het speelterrein van het kind van gemaakt. Tussen de resten van mensen lagen kerken en glanzende koepels, theaters en torens van marmer of koper en goud. Van het barokke Dresden was niets meer over dan die stoffige, stinkende berg en Durs Grünbein vergelijkt hem met een vulkaan. De puinberg naast Dresden en de Vesuvius naast Pompeï: ze staan er bij wijze van herinnering aan dood en verderf.

Grünbeins nieuwe dichtbundel Nach den Satiren gaat zowel over Dresden en Pompeï als over het verlies van illusies. Naïeve poëzie kan niet meer; de wereldwijze dichter kijkt door de schone schijn heen. En ziet de lelijkheid, het geweld, de destructie. De eerste destructie van Dresden die Durs Grünbein meemaakte, via de verhalen van volwassenen, was het bombardement. De tweede destructie beleefde hij zelf. Het socialistische Dresden verdween tegelijk met de Muur. Durs Grünbein, geboren in 1962, treurt niet om de ondergang van de DDR op zich maar wel om het feit dat die staat over tien jaar waarschijnlijk zal zijn vergeten. Alwéér een beschaving bedolven onder de as van de tijd; alwéér een cultuur die voorbij is gegaan als een nietige episode. En de eenling die in zo'n episode heeft geleefd, die is nog nietiger.

Alsof haast alles al voorbij is, zo schrijft Durs Grünbein zijn gedichten. Hij slaat de lezer om de oren met memento mori's: in de klaagzanger schuilt een zedenmeester die laatste waarschuwingen uitdeelt aan de hardleerse, zichzelf uitroeiende diersoort waar ook hij toe behoort. Tezelfdertijd lijkt hij van zijn waarschuwingen te genieten. Durs Grünbein transformeert de lelijkheid tot schoonheid en de vergetelheid tot iets duurzaams. Voordat de kunstenaar is vergeten wil zijn kunst indruk maken en dat doet alleen al de omvang van Nach den Satiren.

Die bevat negenenvijftig gedichten en vele daarvan zijn complete cycli. Het openingsgedicht In der Provinz bijvoorbeeld is een vijfluik met op elk luik een variatie van hetzelfde. Steeds is het een dood dier waar de dichter bij stil blijft staan, op een of andere Europese landweg. Een hond, een mol, een merel, een kikker, een haas: hun sterven was geen pretje. `[–] Op winterse aarde/ weerloos verrekt [–] / Wat van de slachtpartij restte hing in de takken.' En zijn ze eenmaal dood, die dieren, dan hebben zij geen rust. Dan komen de maden en kevers en mieren: de `bewapende krachten/ in zwart uniform', de `snelle marscommando's'. Het mierenvolkje roept wel vaker associaties op met het leger, maar voor Durs Grünbein met zijn DDR-verleden is het militarisme een schrikbeeld dat berust op reële ervaring. `Ik heb uit tanks gekotst, in kazernes mij in slaap gehuild / in het tentenkamp boven de emmer mijn scheve grijns geschoren', zo lezen we in het gedicht Vita brevis. De scholier Durs Grünbein moest meemarcheren bij parades op van die grote pleinen; hij deed dat schamper, als `een clown, zeventongig, een koorknaap verzot op cynische moppen.'

`De mens was failliet', schrijft hij, en `de enige levensles was die van het afzien.' Hij voelde zich gegijzeld, hij droomde van verre oorden. Die hij later daadwerkelijk bezocht. Na het DDR-tijdperk ontwikkelde Durs Grünbein zich tot een fanatieke kosmopoliet en globetrotter. In Venetië is hij euforisch over `zoveel bouwkunst, nooit gedecimeerd/ door bommen en beton.' Maar al gauw komt zijn oude schamperheid de vreugde weer bederven. Op Hawaii stoort hem `het schelle geruzie/ van papegaaien in een kooi'. In Californië raakt hij uit zijn humeur door de rinkelende kassa's in de fitness-studio's. En Rome, dat van de oude Romeinen, bezorgt hem een depressie. Een stad vol bedriegers, ratten en obscure riten: bloeiend en reeds verloederd. In zijn gedichten over de oudheid verplaatst Grünbein zich in figuren van toen, in dronkaards, hoerenlopers en keizers. Harde lieden: misantropen, moordenaars. Ze liggen aan bij de maaltijd, legt de auteur in zijn notenapparaat uit, en vertellen elkaar verhalen. De satura is een goed gevulde schaal met eten en de satire is het gezang van de zatten.

En na de satiren kwam de problematische spijsvertering en het gepieker. `Terwijl de darmen zwoegden keerden de met volle mond bespotte demonen langzaam terug. [–] Overal botten en boeren, en de mooie tijd was voorbij.' Na de satiren bevinden we ons op het bekende Durs Grünbein-terrein, een terrein bezaaid met beenderen. Nach den Satiren is het gezang van iemand die uit de gevangenis kwam en zich zat at aan reizen en Bildung. Nach den Satiren is het gezang van iemand die alleen dan geniaal en niet blasé is wanneer hij zijn vergankelijkheidsthematiek verbindt met zijn heimat, zijn Dresden, zijn jeugd. Nach den Satiren is het gezang van een vakman die, anders dan in een vroege bundel als Grauzone morgens, geen genoegen meer neemt met rommelige spontaniteit en ook niet meer met simpele vormen zoals in het pas vertaalde Den Teuren Toten / Aan onze dierbare doden. De tussen 1994 en 1999 geschreven verzen in Nach den Satiren zijn, rijmend of niet, zo glad als kiezelstenen. Brokkelige lava had beter bij de puinbergen en vulkanen van Durs Grünbein gepast.

Durs Grünbein: Nach den Satiren. Gedichten.

Suhrkamp, 229 blz. ca. ƒ50,40 (geb.)