Terug naar de kernactiviteiten

De collectieve arbeidsovereenkomsten behelzen tegenwoordig van alles: van scholing en armoedebestrijding tot milieubescherming. Cor Inja, hoofd Arbeid van de FNV vindt het allemaal wat veel worden. De overheid schuift verantwoordelijkheden op de sociale partners af. De CAO moet weer puur over lonen en arbeidsvoorwaarden gaan.

Het gaat de vakbeweging de laatste jaren voor de wind. De ledenaantallen groeien en de afgesloten CAO's nemen toe in kwantiteit en zeker ook variëteit. De bonden gaan zich ter wille van de klantenbinding zelfs opwerpen als een soort sociaal-financiële supermarkten. 's Lands grootste bond, FNV Bondgenoten, wil de leden binnenkort allerhande financiële diensten aanbieden. Nee, (nog) geen optieregelingen. Want dan zou de tekst bewaarheid kunnen worden die in FNV's Amsterdamse hoofdkantoor hangt: `Topmanagers klagen over FNV-inkomens'. Kortom, het is in vakbondsland expansie wat de klok slaat.

Voor Cor Inja, hoofd van de afdeling Arbeid van de vakcentrale FNV, is dat evenwel geen reden tot vreugde, eerder tot zorg. Want hij vreest dat de vakbeweging op deze manier haar activiteiten en daarmee haar krachten te dun zal spreiden en zichzelf zo zal verzwakken. `Terug naar de kernactiviteiten' is daarom zijn parool, dat trouwens al veel langer opgeld doet in de efficiency-bewuste delen van het bedrijfsleven.

De bonden moeten zich meer concentreren op hun kernactiviteit, dat wil zeggen het onderhandelen over de prijs van de arbeid, loon en arbeidsvoorwaarden, vindt Inja. En zij moeten niet langer onderhandelen over zaken als scholing van werklozen, het werven van groepen buiten het arbeidsproces, het bestrijden van armoede of de bescherming van het milieu. Waarom?

Cor Inja: ,,Ik vind dat de collectieve arbeidsovereenkomst bij uitstek een instrument is om regelingen voor werknemers af te spreken. Het is arbeidsvoorwaardenbeleid. Het is voor de vakbeweging een heel essentieel en zwaar instrument. Daarmee kun je ontzettend veel bereiken. Maar dan moet je 't wel op de juiste manier inzetten. Ik ben bang dat als je de CAO gebruikt om veel bredere maatschappelijke doelen te bereiken, je daarom op termijn de kracht van dat instrument ondermijnt. Het is nu al zo dat de naleving van de CAO problemen oplevert. Als je die afspraken ook gaat maken voor niet-werkenden en ook over onderwerpen die buiten de directe arbeidsvoorwaarden van de werkenden zelf liggen, dan nemen de nalevingsproblemen navenant toe.''

Daar komt volgens de FNV-ideoloog bij dat Nederland weliswaar een redelijk sterke vakbeweging heeft, maar tegelijk een beweging waar maar een beperkt aantal mensen werken. ,,Je moet dus roeien met de riemen die je hebt. Je kunt wel steeds meer willen, maar je moet beseffen dat je met een beperkt apparaat werkt dat je zo efficiënt mogelijk moet gebruiken.''

Praat u hier over een dreiging of neemt de vakbeweging op dit moment al te veel hooi op haar vork?

,,Gewetensvraag. Ik vrees dat dit hier en daar bij ons al het geval is en dat we te veel verantwoordelijkheden naar ons hebben toegetrokken. Ik vind dat de overheid in eerste instantie verantwoordelijk is voor het ontwikkelen van een zodanig sociaal-economisch beleid dat daarmee maatschappelijke problemen kunnen worden opgelost. Dat zijn bijvoorbeeld langdurige werkloosheid, achterstandsgroepen, armoede en milieuproblemen. Nu maken wij daar in de CAO ook afspraken over, terwijl dat eigenlijk een zaak van de overheid is. Die schuift verantwoordelijkheden graag op ons af om daarna soms nog te klagen dat wij niet genoeg doen. Dat is de omgekeerde wereld. Een argument temeer om eens kritisch te kijken naar het CAO-instrument en het in te zetten waarvoor het bedoeld is, namelijk lonen en arbeidsvoorwaarden regelen.

,,Tegelijk moeten we er niet meer naar streven alles op centraal niveau direct met de werkgevers te regelen, maar proberen de overheid meer bij de les te houden en haar sociaal-economische rol te reactiveren. Er zijn mogelijkheden te over''

Bijvoorbeeld?

,,Neem de Duitse overheid, die verplicht alle bedrijven minimaal 6 procent van hun beschikbare arbeidsplaatsen te reserveren voor gehandicapten. Halen ze dat quotum niet dan betalen ze 200 mark per maand per onvervulde arbeidsplaats. De boetes, meer dan een half miljard mark per jaar, gaan weer naar de reïntegratie van gehandicapten. Ik vind dat een prima overheidsintiatief, al zullen de werkgevers waarschijnlijk niet juichen.''

In een recent artikel in het economenblad ESB stelt u dat de vakbeweging onderdeel is geworden van het poldermodel waarbinnen de partijen proberen conflicten in de kiem te smoren en belangentegenstellingen toe te dekken. Daardoor zou de depolitisering, die zich al voltrok tussen de politieke partijen, nu ook toeslaan in de wereld van de arbeidsverhoudingen. Moet ik dat lezen als een oproep tot wat meer polarisatie?

,,Nee, nee'', roept Inja. ,,Maar je moet je als vakbeweging wel voortdurend blijven profileren. Wij moeten ook wat in het poldermodel te halen hebben. Als je ziet hoe topmanagers vorig jaar 8 procent inkomensstijging voor zichzelf reserveerden om vervolgens op hoge toon tegen de vakbeweging te zeggen dat voor haar 3 procent eigenlijk teveel is, dan kun je je afvragen of wij ons in de poldereconomie voldoende profileren. Je moet op een gegeven moment wel duidelijk je punten scoren. Dat mag best leiden tot conflict mits maar duidelijk is waarover het gaat. Je moet voorkomen dat depolitisering een soort fundamentalistische omgangsvorm wordt. Er zijn nu eenmaal verschillen in belang en visie en onze leden moeten wel het idee houden dat de vakbeweging namens hen opereert.''

Even terug naar het teveel aan hooi op de vork van de vakbeweging dat u ziet. Valt het voornemen van FNV Bondgenoten om de leden financiële diensten te gaan verlenen daar ook onder?

,,Nou, ik neem aan dat ze zoiets niet via de CAO gaan regelen. Het is een individuele vorm van dienstverlening en klantenbinding die er kan zijn. Het is een kwestie van afwegen. Mischien zou ik 't zelf niet als eerste verzinnen. Er zijn andere bedrijven die dat goed kunnen.''

U beschrijft in ESB de gevolgen van twintig jaar decentralisatie en deregulering voor de CAO. Het aantal onderwerpen waarover afspraken in de CAO werden gemaakt – ook onderwerpen die vroeger op het bordje van de overheid kwamen – vermenigvuldigde. Het aantal CAO's zelf verdubbelde tot bijna 1.200 en ook werden ze veelvormiger. Naast de traditionele bedrijfstak- en bedrijfs-CAO is er nu de raam-CAO, de etage-CAO en zelfs de CAO à la carte. Draagt dat laatste ook bij aan uw `span of control'-problematiek?

,,Natuurlijk. Het ontstaan van meer en specifieker CAO's is op zich niet slecht. Ze staan dichter bij de mensen en ze kunnen directer op hun behoeften inspelen. Want hoe algemener je zaken regelt, hoe verder je van de leden afstaat en hoe minder mensen zich daarin herkennen. Maar als het gaat om een CAO à la carte, dan moet je je als vakbeweging wel goed realiseren hoever je daarmee wilt gaan. Want een CAO is per definitie collectief. Het zijn collectieve regelingen die collectief gefinancierd worden. Naarmate je mensen wat de arbeidsvoorwaarden aangaat meer individueel laat kiezen, groeit het risico dat het draagvlak voor de collectieve regeling, zoals het financiële draagvlak, afbrokkelt. Dat lijkt me niet goed. De kracht van de vakbeweging wordt bepaald door de collectiviteit. Niet door optelling van een aantal individuen en hun belangen.''

Hoe zijn de reacties op uw opvattingen binnen de FNV?

,,Wisselend. Collega's zijn het op sommige punten wel, op andere niet met me eens. Maar iedereen vindt het prima dat er over alle punten wordt gediscussieerd. Ik hoor ook wel zeggen: als je het heel praktisch bekijkt heb je gelijk. Maar je moet voorkomen – en dat ben ik met ze eens – dat de idee ontstaat dat de FNV tegen arbeidsmarkt-, minderheden-, armoede- en milieubeleid is. Dat kan gebeuren als je mijn opinies kort door de bocht aanhoort of leest. Dat zou ook het verwijt kunnen opleveren dat ik de vakbeweging wil versmallen tot een loutere poenbeweging. Dat is natuurlijk niet zo.''

FNV's eigen CAO-coördinator Henk van der Kolk zegt het eens te zijn met uw analyse. Maar hij knoopt daaraan vast dat, wil het sociaal-economische beleid van de overheid kans hebben, de sociale partners, waaronder de vakbeweging, daarvoor wel de ruimte moeten scheppen. Wat vindt u?

,,Kijk, Henk is mijn baas. Maar ík vind dat wij als vakbeweging het overheidsbeleid vooral kunnen steunen door te zorgen voor een verantwoorde loonkostenontwikkeling. En dan praat je over de arbeidsvoorwaarden van de mensen. Als je bereid bent je op dat punt verantwoordelijk op te stellen, ontstaat er vanzelf ruimte, ook financiële ruimte, voor de overheid om direct zelf een bepaald beleid te ontwikkelen. Zo hoort het mijns inziens te gaan en niet via de band van de vakbeweging. Dat lijkt mij omslachtig en niet efficiënt. Henk en ik hebben daar af en toe leuke discussies over. Waarna hij beslist. Zo hoort het ook.''

Hoe ziet u de toekomst van vakbeweging en CAO?

,,De terugkeer naar de kernactiviteiten wordt op termijn onvermijdelijk. Ik voorzie dat CAO-onderhandelaars inderdaad zullen zeggen: we hebben nu zo'n dik CAO-boek, dat is niet meer te behappen, we gaan ons meer toespitsen op essentiële zaken. Ik zie de decentralisering en individualisering van arbeidsvoorwaarden eveneens doorgaan, tot de bonden op een gegeven moment een streep zullen trekken en zeggen: het gaat nu om onze eigen positie.''