Staatsman tegen wil en dank

Kort nadat hij in 1993 zijn functie als `president in ballingschap' van de Republiek der Zuid-Molukken (RMS) had neergelegd schafte de toen 83-jarige Ir. Johannes (Joop) Alvares Manusama een tekstverwerker aan om zijn herinneringen op te schrijven. Toen hij twee jaar later overleed, was hij gevorderd tot 1953, het jaar dat hij in Nederland arriveerde.

Eerder had Manusama zich in 1988 en 1989 verschillende malen uitgebreid laten interviewen door Wim Manuhutu en Henk Smeets, de twee directeuren van het Moluks Historisch Museum in Utrecht. De Molukse leider stelde als voorwaarde dat die interviews pas na zijn dood zouden worden gepubliceerd. De afgelopen jaren hebben Manuhutu en Smeets gewerkt aan een geannoteerde biografie, waarbij zij als basis de memoires van Manusama gebruikten, aangevuld met passages uit de interviews, tientallen foto's en kaarten en voorzien van een zeer groot aantal voetnoten. In hun verantwoording schrijven Smeets en Manuhutu dat zij Manusama's herinneringen (soms spreekt hij van `deze biografie') slechts op bepaalde punten redactioneel hebben gecorrigeerd, in het bijzonder waar de schrijver hele lange zinnen gebruikte.

Het gevolg van deze respectvolle werkwijze is dat Eigenlijk moest ik niet veel hebben van de politiek vooral in de eerste hoofdstukken over Manusama's jeugd, zijn ouders, zijn schoolopleiding en studententijd, veel te wijdlopig is en vol staat met onbelangrijke details over bezoekjes hier en daar en over zijn verhouding met Kit de Kock, die zijn trouwe echtgenote zou worden. En dat allemaal geschreven in een nogal onverteerbare stijl. Het interessantste aspect aan dit deel van het boek zijn de twee pagina's over Manusama's lidmaatschap van de NSB die vorige week bij de presentatie van het boek al in de publiciteit kwamen. Omdat de NSB voorstander was van een `weerbaar Indië', werd Manusama lid in 1934, toen hij nog student was - en enthousiast lid van het corps - aan de Technische Hogeschool te Bandoeng. Pas als Duitsland in 1940 Nederland binnenvalt, beseft hij waar de Nederlandse nationaal-socialisten eigenlijk voor staan. Al op de eerste pagina van zijn boek probeert Manusama zich in te dekken tegen kritiek door te onderstrepen dat alle gebeurtenissen moeten worden bezien in het licht van die tijd. Dat geldt ook voor zijn lidmaatschap van de NSB, waar hij met weinig trots op terug zegt te kijken.

Worsteling

Ook een terugkerend thema in de eerste hoofdstukken is Manusama's worsteling met zijn identiteit. Als zoon van uit de Molukken afkomstige ouders werd hij Europees opgevoed en opgeleid. Hij voelt zich een (Indische) Nederlander en spreekt niet of nauwelijks Maleis. Maar als op school een leraar hem en zijn klasgenoten vraagt aan te geven hoe ze zich zelf zien binnen de Indische samenleving, antwoordt Manusma toch gewoon met `inlander'.

Tijdens zijn verblijf in Makassar, waar Manusama bij toeval een betrekking krijgt als wiskundeleraar, schrijft hij een groot aantal brieven aan zijn ouders in het toenmalige Batavia. De meeste van die brieven zijn bewaard gebleven, in het Moluks Historisch Museum, en Manusama maakt dankbaar gebruik van voor hem relevante passages. Smeets en Manuhutu hebben geen behoefte gevoeld af te wijken van de bescheiden selectie die Manusama uit de brieven heeft gemaakt. Dat is jammer, want het is juist dàt materiaal dat onmiddellijk opvalt door een veel directere en frissere stijl van schrijven en authentieker klinkt dan wat Manusama zich meer dan veertig jaar later nog herinnert.

Manusama getuigt in zijn memoires tot vervelens toe dat hij immer vervuld was van edele motieven en zijn eigen belang wegcijferde. Hij heeft een hekel aan politieke opportunisten, die machtsspelletjes spelen zonder dat ze het belang van hun volk voorop stellen. Ook mag de lezer menigmaal getuige zijn van de bescherming die de diepgelovige Manusama op zijn levenspad ondervindt van de Almachtige. Daarnaast blijkt hij in toenemende mate waarde te hechten aan de ruim voor handen zijnde mystiek in `de Oost'.

Manusama wordt in 1948 benoemd tot directeur van een nieuwe middelbare school in de stad Ambon. Als één van een handjevol goed opgeleide Ambonezen (het begrip Zuid-Molukker zou pas later in zwang komen), wordt geregeld een beroep op hem gedaan zitting te nemen in vertegenwoordigende colleges. Het is de tijd dat de deelstaat Oost-Indonesië wordt gevormd, met Makassar als hoofdstad. Manusama staat het liefst voor de klas of leidt een school, maar keer op keer aanvaardt hij toch de politieke functies die hem worden aangeboden, `in het belang van mijn volk'.

Echt interessant wordt het boek pas wanneer Manusama beschrijft hoe, kort na de soevereiniteitsoverdracht eind december 1949, president Soekarno in sneltreinvaart de ene deelstaat naar de andere oprolt. Op Ambon ziet iedereen aankomen dat ook de deelstaat Oost-Indonesië dat lot zal treffen. Manusama neemt het initiatief voor een massabijeenkomst die enkele dagen later, op 25 april 1950, zal worden gevolgd door de uitroeping van de onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (RMS). Manusama wordt hoofd van het Departement van Onderwijs. Soekarno laat het er niet bij zitten en stuurt zijn strijdkrachten naar de Zuid-Molukken om de separatisten tot de orde te roepen.

Er zijn eerder boeken verschenen over deze smartelijke episode in de geschiedenis van de RMS (ook door Manusama zelf: Om Recht en Vrijheid), maar deze persoonlijke herinneringen, waarin openhartig de onderlinge conflicten zonder aanziens des persoons worden beschreven, hebben een eigen en uniek karakter. Natuurlijk betoogt Manusama dat Soekarno met de opheffing van de deelstaten en de vorming van een Indonesische eenheidsstaat de afspraken schond die waren gemaakt tijdens de Ronde Tafel Conferentie (RTC) in 1949. Het is echter merkwaardig dat noch hijzelf, noch Smeets of Manuhutu erop wijst dat de eenzijdige onafhankelijkheid van de Zuid-Molukken ook een schending van die afspraken was. Bepaald was immers dat de Molukken slechts het recht hadden zich onafhankelijk te verklaren als de centrale regering in Jakarta daarmee akkoord zou gaan.

Heldenstrijd

Na een heldhaftige strijd, die aan honderden jonge Molukkers en duizenden Indonesische soldaten het leven kost, trekt de RMS-regering zich terug op het veel grotere eiland Ceram. De Molukse vrijheidsstrijders blijven daar voorlopig gevrijwaard van Indonesische aanvallen, maar er ontstaat een diepgaand conflict tussen verschillende facties. Er vallen in de onderlinge strijd doden en ook Manusama en zijn vrouw weten ternauwernood aan executie te ontsnappen.

De RMS-regering is dan vooral uit op internationale erkenning. Eerder zijn al twee vertegenwoordigers naar Nederland vertrokken om hun zaak internationaal te bepleiten, maar deze heren krijgen ruzie. Dan valt het besluit dat Manusama zelf `naar buiten' zal gaan. De beschrijving van de ontberingen die het door malaria geplaagde echtpaar Manusama doorstaat – overigens trouw bijgestaan door een Javaanse (!) ziekenverpleger – tijdens een lange mars door Ceram, op weg naar een geschikte plek om over te steken, vormt het boeiendste deel van dit boek. De oversteek naar Nederlands-Nieuw Guinea zal niet anders kunnen dan per prauw, bemand door drie Ceramese roeiers. Het wordt een hachelijke onderneming, maar met steun van de Almachtige trotseren bemanning en het echtpaar Manusama de woest kolkende zee en spoelen ze aan op de kust van het eiland Misool bij Nieuw-Guinea.

Eenmaal op Nieuw-Guinea wordt Manusama asiel aangeboden op de Nederlandse Antillen. Hij weigert en wordt geïnterneerd. Uiteindelijk stemt Den Haag erin toe dat hij met zijn vrouw naar Nederland komt. Hij dient zich te onthouden van politieke activiteiten, een verbod waar hij zich van meet af aan niets van aantrekt. Hier eindigt het boek. Of er een vervolg komt waarin de Molukse guerrillastrijd op Ceram wordt beschreven, laten Smeets en Manuhutu in het midden. Het enige dat ze hier nog vermelden is dat de leider van die guerrilla,Soumokil, begin jaren zestig wordt verraden en door het Indonesische leger wordt geëxecuteerd.

Dit boek had aan historisch gewicht gewonnen als de samenstellers in een afsluitend hoofdstuk ook de geschiedenis van die voortgaande strijd op Ceram hadden opgetekend. De lezer die zich nu door een woud van details en voetnoten heeft moeten worstelen, was daarbij gebaat geweest. Ook een bijlage met korte biografische gegevens van de hoofdfiguren was nuttig geweest. Zo'n beknopt Moluks `who was who' had deze herinneringen tot een nuttig naslagwerk kunnen maken. Niettemin is Eigenlijk moest ik niet veel hebben van de politiek een welkome, zij het moeizaam geschreven, aanvulling op de literatuur over het ontstaan van de Republiek der Zuid-Molukken.

J.A. Manusama: Eigenlijk moest ik niet veel hebben van de politiek. Herinnering aan mijn leven in de Oost 1910-1953. Bezorgd en geannoteerd door Henk Smeets en Wim Manuhutu. Moluks Historisch Museum, 301 blz. ƒ42,50