Raadsels in de duinen

Soms verschijnt er een boek waaraan je kunt zien dat de uitgever gedacht heeft: dit is niet zomaar een boek. Dit boek is anders. Zo'n boek zit dan in vetvrij papier gevouwen, het heeft een linnen omslag, het is duidelijk dat veel zorg besteed is aan de vormgeving en alles lijkt de aanstaande lezer toe te roepen: Let op! Dit is bijzonder!

Zo'n boek is Groenblauwe dromen en duizend jaar zand van Claire Hülsenbeck. Een boek dat men vol verwachting uitpakt. En dan komt de teleurstelling: de vormgeving is lelijk, er staan pretentieuze tekstjes en opdrachten voorin en wie gaat lezen ziet een eigenaardige omgang met de geschiedenis, een zwakke stijl en een plot die leegloopt als een lekke ballon.

Het boek begint met de entree van de dertienjarige Kolle op een nieuwe school. Kolle woont waarschijnlijk in Egmond, want zijn dorp bestaat uit drie dorpen waarvan er één aan zee ligt, er is een abdij en een voormalig slot. En er zijn duinen. In de duinen ziet Kolle stropers en wordt hij soms in elkaar geslagen door de verschrikkelijke `Engel', die de broer is van de stropers. Verder lijken de duinen ook te leven, vooral 's nachts. Er is veel geheimzinnigs en gevaarlijks aan de hand, al wordt niet duidelijk wat. Kolle is bijgelovig. De hele streek is bijgelovig zo te lezen. Zo zegt ene Piet als ze een keer met een aantal jongens en mannen door de schemerige duinen lopen: `De mistbank tussen nu en vroeger is al dun genoeg op sommige plekken. Dunner dan de meeste mensen willen toegeven.'

Tegelijk met Kolle komt een meisje in de klas, Linda, die een blauw en een groen oog heeft en op wie Kolle verliefd wordt of iets wat daarop lijkt. In ieder geval denkt hij al snel `Kwam het door Linda dat alles de laatste tijd zo raar was?' En dan stompt hij in zijn kussen en denkt: `Dat was het! Zolang Linda niks overkwam, was hij veilig. De schelpenvergrendeling in het heksendal werd bij elke windvlaag precies verbroken op de plek waar hij Linda's puntenslijper had begraven.' Dat is een `teken'. Kolle is bezeten van `tekens'. Linda ook. Maar zij spreekt uitsluitend in raadsels. De eerste keer dat ze iets tegen Kolle zegt, bij de abdij, zegt ze: `De muren staan niet op de oude plek. Daar raak ik altijd van in de war.' Veel helderder dan dat zal ze niet worden. Haar vader is schrijver en zij wil hem helpen met zijn nieuwe boek. Het gaat over de geschiedenis van de streek, dat wordt geleidelijk aan duidelijk. Linda heeft Kolle's hulp nodig omdat die misschien iets weet van zijn opa en Kolle's opa en Linda's grootmoeder hebben elkaar gekend. Maar dat zegt Linda allemaal niet. Want ze spreekt zoals gezegd in raadsels. Ze maakt Kolle dus ook niet duidelijk wat ze van hem wil weten, maar ze geeft hem een schelp en de eerste zin van een geheim. Er is aanvankelijk geen touw aan vast te knopen en de arme Kolle vertelt in verwarring ook maar op raadselachtige wijze de eerste zin van iets dat hij beleefd heeft. Kolle denkt nooit: had Linda niet meteen wat duidelijker kunnen zijn? Integendeel, hij neemt zichzelf kwalijk dat hij `het' niet meteen begrepen heeft.

Gelukkig wordt Kolle bij de oplossing van de raadsels geholpen door zijn dromen. Hij droomt voortdurend scènes uit de geschiedenis van de streek. In die dromen wordt hem veel duidelijk. Zijn vader komt er ook altijd in voor, want behalve historisch zijn de dromen ook psychologisch.

Het is duidelijk dat Hülsenbeck veel werk heeft verzet: ze heeft de geschiedenis van de streek rond Egmond bestudeerd, ze laat Descartes optreden, ze vertelt het verhaal van Balder en geeft details over de behandeling van bloembollen. Maar wat haar niet lukt is om ook maar enig karakter tot leven te wekken, iets wat zich vooral wreekt in de historische dromen, waarin steeds een `hij' optreedt die we niet kennen en ook niet leren kennen. Daarbij komt dat haar taal onhandig en clichématig is. `Haar ogen keken hem vrolijk aan. (–) Niet treurig, nergens meer een wit masker'. Ook zet ze dingen nogal eens zo achter elkaar dat onduidelijk wordt wat ze bedoelt: `De graaf wist precies hoe hij zijn dankbaarheid moest tonen. Om het dorp achter de duinen liet hij een stevige houten kapel bouwen. ``Ik mag helpen'' zei hij tegen Aleid.' De `hij' die tegen Aleid praat is nu ineens niet de graaf. Dat had nog verholpen kunnen worden door een redacteur, maar aan het boek als geheel zou niet veel te doen geweest zijn. Niets is geloofwaardig, niets is emotionerend, spannend, grappig, goed gezegd of opmerkelijk. Het is allemaal ijverig bij elkaar verzonnen. Jammer van de inspanning.

Claire Hülsenbeck: Groenblauwe dromen en duizend jaar zand.

Van Holkema & Warendorf, 343 blz. ƒ45,-

KINDERBOEK