Onherkenbaar gelukkig in Italië

Goethe is morgen jarig, en het belooft een luidruchtig feestje te worden. Kan een lezer eigenlijk tussen alle tentoonstellingen en herdenkingen door, ook nog onbevangen een boek van deze literaire gigant raadplegen? Met Goethes `Italiaanse reis' moet dat lukken, want niet alleen beklom hij in het land der Romeinen de Vesuvius en speurde hij naar de `oerplant', hij werd er bovendien een ander, gelukkig mens.

Goethe is morgen 250 jaar geleden geboren, en dat zullen we weten. Heruitgaven, nieuwe edities, boeken over Goethe, tentoonstellingen, symposia, televisie-uitzendingen – niets van wat tegenwoordig bij zo'n jubileum hoort, ontbreekt. Maar waarom 250 jaar? Elk getal is blijkbaar goed, zolang op het eind een nul staat. Mogelijk heeft het met Weimar te maken, dit jaar culturele hoofdstad van Europa en door een modern stadsbestuur uitgedost met een aan Goethe ontleend logo. Naast de profielen van Goethe en Schiller zie je er nu, op bierglazen, t-shirts en theeserviezen, overal het ginko-blad, gerechtvaardigd door een charmant gedichtje dat Goethe er ooit (in de Westöstlicher Divan) over schreef. Goethe, kortom, is handel geworden. En dat betekent dat wie hem gewoon wil lezen, het nodige zal moeten vergeten.

Misschien helpt de Italienische Reise, waarvan nu een mooie, gedegen vertaling is verschenen van de hand van Wilfred Oranje – Nederlands bijdrage aan de herdenking van Goethes geboortedag. Goethe trok over de Alpen, naar het land `wo die Zitronen blühn', om te ontkomen aan Weimar. Niet aan de winkel van de toeristische projectontwikkelaars, maar aan de vormelijkheid van de hofetiquette, de last van de staatszaken die hem geen tijd gunden voor de poëzie, de cul de sac van zijn platonische relatie met Charlotte von Stein. Door zijn reisverslag te lezen, is het mogelijk een beetje mét hem te ontkomen.

In de tekst vinden we overigens een ander motief voor de `vlucht', zoals Goethe zijn Italië-reis later tegenover Eckermann zou noemen. Hij heeft het over zijn `ziekte en dwaasheid', en bedoelt zijn verlangen naar Italië. Dat zou zo sterk zijn geworden, dat het geen uitstel meer kon verdragen. `Had ik niet het besluit genomen dat ik nu ten uitvoer leg, dan zou ik er onderdoor zijn gegaan; zo sterk gerijpt was in mijn gemoed de begeerte deze objecten met eigen ogen te aanschouwen'.

De tekst van de Italienische Reise is pas lang na dato ontstaan (het eerste deel werd gepubliceerd in 1816, het tweede in 1827), maar in een brief aan de hertog van Saksen-Weimar van 3 november 1786 lezen we al dezelfde bekentenis. Toen Goethe deze brief schreef, was hij precies twee maanden onderweg. Op 3 september had hij om drie uur 's nachts Karlsbad verlaten, waar hij met enkele vrienden uit Weimar aan het kuren was, zonder die vrienden op de hoogte te stellen. Van de hertog, die hij sinds 1776 diende als goed bezoldigde Geheimrat, had hij weliswaar toestemming gekregen even vakantie te nemen van de politiek, maar waar en voor hoelang was daarbij niet beslist. Met uitzondering van zijn privé-secretaris was niemand in het geheim ingewijd, ook zijn geliefde Frau von Stein niet, die hem dit gebrek aan vertrouwen nooit heeft vergeven.

Italië was inderdaad Goethes levenslange droom geweest, gevoed door de verhalen van zijn vader en de lectuur van de klassieken. Toch suggereert de geheimzinnigheid waarmee de reis werd omgeven, dat de `ziekte' een diepere oorzaak had. Marinus Pütz spreekt in zijn deskundig nawoord bij de vertaling van een `existentiële crisis', en dat lijkt niets te veel gezegd. Ontevreden met zichzelf en zijn positie, was Goethe ervandoor gegaan om zichzelf in het zuiden te hervinden. Of liever: om zichzelf opnieuw uit te vinden, via een onderdompeling in het weldadige bad van kunst, mooie natuur en antieke resten dat Italië voor hem bleek te zijn.

In het land van de Renaissance beleefde hij een persoonlijke `wedergeboorte', die hem na twee jaar als ander mens deed terugkeren naar Weimar, gewapend met een nieuwe `klassieke' opvatting van kunst en literatuur ter vervanging van het eerdere Sturm und Drang-pathos. Die `wedergeboorte' had hij in de eerste plaats aan de beeldende kunst te danken. Want Italië bestond voor hem, zo blijkt, niet zozeer uit poëzie en muziek (in de opera placht hij zich vooral te vervelen), maar uit schilderijen, beeldhouwwerken, architectuur en betoverende landschappen.

Om dat alles te leren kennen beperkte hij zich niet tot kijken en lezen. Al gauw zien we hem ook volop tekenen en schetsen, in de overtuiging dat alleen een kunstenaar werkelijk tot het wezen der dingen weet door te dringen. Pas tegen het eind van de reis realiseert hij zich `te oud' te zijn om nog een echte kunstenaar te kunnen worden. Maar de inspanning is niet vergeefs ge-weest. `Met de dag wordt het me duidelijk dat ik eigenlijk voor de dichtkunst ben geschapen', schrijft hij. De beeldende kunst kan hij opgeven; zij heeft haar functie vervuld, zijn `dichterlijk vermogen' is erdoor vergroot, zoals hij aan den lijve mag ondervinden, want het is niet zo dat hij op reis zijn literaire werk volledig heeft verwaarloosd.

Integendeel, een van de andere motieven voor zijn verzoek om vakantie was dat hij vrije tijd nodig had om de laatste vier delen van zijn Schriften, te verschijnen bij uitgever Göschen in Leipzig, op orde te brengen. Onderweg groeien de aanzetten en fragmenten, die hij in portefeuille heeft, uit tot volwaardige werken: Iphigenie auf Tauris, Egmont, en ook met Torquato Tasso en Faust komt hij een eind op streek, terwijl het dagboek dat hij bijhoudt en de vele brieven die hij naar Weimar stuurt de stof zullen leveren, waaruit later de Italienische Reise is ontstaan.

Hoewel Goethe maar een klein deel van Italië daadwerkelijk heeft bereisd (het merendeel van de tijd zit hij in Rome, van waaruit een uitstapje van vier maanden wordt gemaakt naar Napels en Sicilië), heeft hij allerminst stil gezeten. Italië en vooral Rome, het brandpunt van zijn verlangens, blijken een geweldige `leerschool' te zijn, en Goethe betoont zich een vlijtige leerling. Rome bezorgt hem `een begrip van degelijkheid', schrijft hij. `De geest wordt discipline opgelegd, bereikt een ernst die niet dor, een bezadigd weten dat niet van vreugde gespeend is'. Elders schrijft hij meer te `leren' dan te `genieten', maar dat laatste moet waarschijnlijk met een korreltje zout worden genomen. Uit alles blijkt immers dat hij dat nu juist in Italië heeft geleerd: genieten. Niet voor niets meldt hij meer dan eens, in het bijzonder na zijn terugkeer uit Napels en Sicilië, in Rome eindelijk `gelukkig' te zijn.

Dat geluk had hij voor een belangrijk deel te danken aan het feit dat hij incognito reisde, waardoor de verveling van officiële ontvangsten en verplicht salonbezoek hem grotendeels bespaard is gebleven. Italië heeft niet kennisgemaakt met Geheimrat Johann Wolfgang von Goethe, de belangrijkste minister van de hertog van Saksen-Weimar, maar met `Johann Phillip Möller', die zich in Rome uitgaf voor pittore, kunstschilder. Hij woonde er in het huis van zijn `collega' Tischbein, van wie tegenwoordig vooral het schilderij van Goethe in de Campagna bekend is.

De dichter staat erop afgebeeld als een vorst, getooid met hoed en witte mantel, languit gezeten in een weids landschap. Maar er zijn ook andere tekeningen en aquarellen van Tischbein overgeleverd, waarop iets van Goethes dagelijkse leven in Rome is vastgelegd. We zien hem ongedwongen uit het venster leunen, wippend op een stoel een boekje lezen, met zijn benen omhoog op een sofa liggen. Deze beelden zijn veel meer in overeenstemming met de stemming in zijn reisverslag, de `kinderlijke' stemming van iemand die een `jeugddroom' verwezenlijkt, iemand die van zichzelf schrijft: `Ik kan het nu redelijk met de mensen vinden en ben op goede wijze openhartig jegens hen, ik ben gezond en geniet van het leven'.

Een beetje stijfjes klinkt het nog altijd, maar dat geldt voor wel meer in de Italienische Reise. Goethes boek is geen reisgids, daarvoor staat hij te veel zelf in het middelpunt, maar het is ook geen spontaan journaal, waarin we de schrijver voortdurend in zijn alledaagse of intieme gedachten en beslommeringen kunnen betrappen. Het is, vermomd als reisverslag, eerder een programmatisch geschrift, waarin Goethe zijn innerlijke, artistieke en intellectuele metamorfose beschrijft, waarbij het decorum niet volledig is prijsgegeven. Het detoneert geenszins in het literaire monument dat hij, vooral na zijn Italiaanse `wedergeboorte', voor zichzelf heeft opgericht – tot teleurstelling wellicht van de lezer van nu, die in autobiografisch werk méér ongegeneerde openhartigheid gewend is.

Niet alles wat Goethe in Italië is overkomen, heeft dan ook in het boek een plaats gekregen. Behalve over kunst en Oudheid lezen we over zijn vrienden, over zijn beklimming van de Vesuvius, over zijn speuren naar de `oerplant' in het park van Palermo, over het vuil in de Italiaanse straten, over het Romeinse carnaval (waaraan hij geen deel neemt), en zelfs over een mooie `Milanese' die een moment `tedere' gevoelens bij hem opwekt. Maar de liefde die hem in Rome tot in het bed ten deel is gevallen wordt angstvallig verzwegen.

Dat we er toch iets van weten, komt doordat de dichter Goethe niet zijn mond heeft kunnen houden. In zijn later geschreven Römische Elegien komt het erotisch avontuur alsnog ter sprake. Verpakt weliswaar in fraaie klassieke beelden en allusies, maar ook met minder verhullende regels als: `Darum macht Faustine mein Glück; sie teilet das Lager / Gerne mit mir, und bewahret Treue dem Treuen genau'.

Al meteen na publicatie begonnen de speculaties wie deze `Faustine' wel mocht zijn. Wat dit betreft deden de achttiende en de negentiende eeuw niet onder voor de twintigste, waarin de Goethe-Forschung deze intrigerende kwestie eveneens heeft uitgeplozen. Helaas zonder resultaat, want dat Goethes Romeinse geliefde werkelijk `Faustine' heeft geheten, mag niet erg waarschijnlijk worden geacht.

De Italiaanse vorser Roberto Zapperi zet in zijn boek Das Inkognito. Goethes ganz andere Existenz in Rom de zaken nog eens op een rijtje. Hij komt tot de conclusie, dat Goethe (die zelf buiten zijn poëzie op dit punt steeds discretie heeft betracht) inderdaad een geliefde heeft gehad, die hem voor het eerst een ook in seksueel opzicht bevredigende liefdesrelatie heeft bezorgd, maar een naam weet hij haar evenmin te geven.

Wel meent hij te kunnen aantonen dat zij geen prostituee is geweest. Voor prostituees was Goethe op zijn hoede vanwege het gevaar van geslachtsziekten, en uit de bewuste regels in de Römische Elegien blijkt dat hij daarvoor bij `Faustine' niet bang hoefde te zijn; zij was hem immers `trouw', zoals het gedicht uitdrukkelijk laat weten nadat eerder de `slangen' zijn genoemd die men op het `amoureuze pad' te duchten heeft. Of dit nu de meest elegante manier is om de liefdestrouw te bezingen, kun je je afvragen. Maar Zapperi heeft gelijk, wanneer hij op grond hiervan de betaalde liefde wegstreept. In Goethes nalatenschap heeft hij bovendien een in het Italiaans gesteld liefdesbriefje ontdekt, dat de geleerden tot nu toe ontgaan was, en daarin vindt hij via vele listige argumenten de ultieme bevestiging dat Goethe in Rome een echte, vrije liefdesverhouding moet hebben gehad met een vrouw uit het volk.

Om tot zijn bevindingen te komen, die van Goethes ganz andere `gelukkige' leven in Rome ook de verzwegen kanten blootleggen, heeft Zapperi heel wat archiefmateriaal overhoop moeten halen. Eenvoudiger is Hanns-Josef Ortheil te werk gegaan, die voor zijn roman Faustinas Küsse uit 1998, onlangs uitstekend vertaald door Gerda Meijerink, hoofdzakelijk zijn verbeelding heeft geraadpleegd.

Zijn boek is de zoveelste roman over Goethe, maar het aardige is dat Ortheil Goethes verblijf in Rome beschrijft door de blik van een volkse levensgenieter.Deze Giovanni Beri raakt gefascineerd door de `vreemdeling' die hij vol ondoorgrondelijke verrukking door zijn geboortestad ziet snellen. Hij besluit hem te bespioneren, ten behoeve van de pauselijke overheid, en wanneer hij erachter komt dat het om een Duitse dichter gaat, neemt hij zich voor diens leven grondig te veranderen. Want een dichter die zich alleen voor kunstwerken en antieke ruïnes interesseert, dat is in zijn ogen te gek voor woorden.

Beri doet zijn uiterste best deze `Goethe', die zich `Filippo Miller' laat noemen (een verschrijving van het oorspronkelijke `Möller'), een leuk meisje op te dringen, maar het eind van het liedje is dat de Duitser in bed beland met zijn eigen vriendin Faustina. Het is een simpele intrige, waaraan Ortheil echter een verrassende draai weet te geven, doordat Beri niet alleen Goethe verandert, zij het niet helemaal op de geplande manier, maar Goethe ook hém. Beri leest Goethes Die Leiden des jungen Werthers en wat gebeurt? Nadat hem door Faustina en haar nieuwe geliefde de horens zijn opgezet, wordt hij zelf een soort Werther.

Niet dat hij nu naar het pistool grijpt, want zelfmoord is niets voor een gezonde Romeinse jongen (zoals ook Goethe vaststelt in zijn Italienische Reise), maar wanneer Goethe weer naar het noorden is vertrokken, laat Ortheil hem in Goethe veranderen: Beri neemt diens Romeinse identiteit aan en betreedt zo zijn geboortestad opnieuw. Een metamorfose dankzij de literatuur en een verdubbeling van de metamorfose of wedergeboorte dankzij de kunst, die Goethe zelf in Italië heeft ondergaan.

Uiteraard zijn boeken als die van Zapperi en Ortheil pogingen om iets af te knabbelen van het monument dat Goethe in zijn eigen oeuvre en vervolgens in zijn wereldwijde reputatie is geworden. Door op te rakelen wat hij zelf achterwege liet, tracht men hem dichterbij te brengen, gewoner te maken, minder Olympiër en meer mens. Maar misschien past dat ook wel juist bij de Goethe van de Italienische Reise, die tenslotte zelf schrijft in het dagboek waarop het eerste deel van zijn reisverslag is gebaseerd en dat bestemd was voor de achtergelaten Charlotte von Stein:

`Ik kan je niet zeggen wat ik al in de korte tijd aan menselijkheid heb gewonnen. Maar hoezeer voel ik ook wat voor eenzame armzalige mensen wij moeten zijn in de kleine soevereine staten, omdat men, en wel in het bijzonder in mijn geval, bijna met niemand kan spreken die niet iets wil of verlangt. Nog nooit heb ik de waarde van de gezelligheid zozeer gevoeld en nog nooit zo levendig de vreugde om de mijnen weer terug te zien.'

Johann Wolfgang von Goethe. Italiaanse reis. Vertaald door Wilfred Oranje, bezorgd door Marinus Pütz. Boom, 712 blz.

Tot 1 november 1999 ƒ79,50, daarna ƒ95,-

Roberto Zapperi. Das Inkognito. Goethes ganz andere Existenz in Rom. Vertaald uit het Italiaans door Ingeborg Walter. Beck Verlag, 299 blz. ca. ƒ45,90

Hanns-Josef Ortheil. Faustina's kus. Vertaald uit het Duits door Gerda Meijerink. Ambo, 383 blz. ƒ49,90