Nooit mag het lijntje breken

De staat der Nederlanden heeft misschien nooit veel voorgesteld, maar `leeg' was hij nimmer. Boven de verzuilde en burgerlijke samenleving torende een overkoepelende en stevig verankerde maatschappij, die normen formuleerde waaraan de burgers zich dienden tehouden. Het bestuur waakte dag en nacht. Ook de politiek was daaraan onderhorig.

Voor wie dat niet wil geloven – een probleem waarmee vooral lezers kampen wier referentiekader in de jaren zestig/zeventig is gestold – is er nu een leerzame en doeltreffende politieke geschiedenis van Nederland beschikbaar: Land van kleine gebaren. In dit boek hebben vier historici de laatste twee eeuwen opgedeeld in vier hoofdstukken. Remieg Aerts beschrijft de periode van Patriotten tot Thorbecke. Henk te Velde ontleedt de epoche van pacificatie en kiesrechtstrijd. Piet de Rooy analyseert interbellum, bezetting en bevrijding. Herman De Liagre Böhl resumeert tenslotte het naoorlogse `Hollandse wonder', uitmondend in het groeien en scheren van de verzorgingsstaat.

Hoewel er grote verschillen zijn tussen deze vier tijdvakken – en tussen de auteurs, die niet allemaal evenveel durf aan de dag leggen – kan ons Land van kleine gebaren bogen op veel historische continuïteit. Al is het maar omdat structurele veranderingen in Nederland in verschillende tijden vaak toch op een vergelijkbare manier worden ingebed in het maatschappelijk bestel en de boel daarom maar zelden ontploft. Evenwicht is altijd het adagium geweest. Of het nu gaat om de balans tussen koningsgezinden en regenten, stad en land, vorst en burgerij, links en rechts, katholieken en protestanten, collaboratie en verzet, of verzorgers en nachtwakers: nooit mag het lijntje breken.

Zelfs op hoogtijdagen weet de Nederlandse politiek dat ze niet té politiek moet worden. Een putsch op zijn tijd is geoorloofd, maar dan wel in een vergaderzaal en niet op straat. Aerts vat die houding zeer fraai samen als het gaat om de `fluwelen omwenteling' tijdens de Bataafse Republiek. `De revolutie was klaar. (...) Nu moest politiek weer plaatsmaken voor bestuur'.

Natuurlijk keert de wal wel eens het schip. Thorbecke ergerde zich al blind aan de geringe deelname aan het maatschappelijk verkeer en het feit dat `onthouding burgerpligt' schijnt. Maar ook zijn liberalen opereerden behoedzaam, in het besef dat er nog geen uitgekristalliseerde partijen waren. Iedereen moest zich kunnen herkennen in de koning, de `landsvader binnen een ideologie van huiselijkheid', aldus Aerts' rake typering van Willem I.

Familie

De Nederlandse staat is kortom één familie. Een burgerlijke familie, waarin onderhandelen prevaleert boven commanderen. Politiek is uiteindelijk een zaak van de `aristocratie van het verstand', zoals Thorbecke zei. Op gezette tijden staat ook hier wel eens een retorisch talent op, maar de twee belangrijkste staatsrechtelijke conflicten in de negentiende en vroeg-twintigste eeuw werden toch beslecht via uitruil. Allereerst wijst het parlement koning Willem III in de jaren zestig van de vorige eeuw zijn constitutionele plaats door de begroting van zijn minister van Buitenlandse Zaken te verwerpen. En vijf decennia later worden de vrijheid van onderwijs én het algemeen kiesrecht met één grote zwaai verankerd in de grondwet.

Nadat de maatschappelijke zuilen zo hun plaats hadden gekregen, konden ook de beginselen van `soevereiniteit in eigen kring', (nevenschikking) en van `subsidiariteit' (hiërarchie) verzoend worden. Dat bood twee grote voordelen. De `sociale kwestie' kon worden gekanaliseerd en het bestuur kon desondanks decentraal blijven. Zelfs de fiets – volgens Henk te Velde een voertuig met `politieke betekenis' omdat het de politiek voor iedereen toegankelijk maakte – blijkt dienstbaar aan het `beheer van de modernisering'.

De politieke macht verschoof daarmee van het Binnenhof naar het overleg tussen het uitvoerende gezag en allerlei belangenbehartigers, aldus Piet de Rooy in Land van kleine gebaren. `Het parlement werd meer de plaats waar moeizaam bereikte compromissen werden gelegitimeerd.' De politici krijgen daar een dagtaak aan. En `naarmate de politiek meer een echt beroep werd, nam de waardering voor politici af' in het vierstromenland Nederland.

De Rooy is in zijn inspirerende en brutale schets dan pas in de jaren tien van deze eeuw beland. Maar negentig jaar later vraag je je toch af wat we in de tijd daarna – de bezetting uitgezonderd – eigenlijk hebben uitgespookt. Er verandert weliswaar het nodige, zelfs structureel: de sociaal-democraten treden toe tot de regering, we verliezen Indië en Nieuw-Guinea, en de jeugd, altijd een bron van zorg, grijpt als het geld eenmaal begint te rollen lustig `polariserend' de verbale macht. En heel laat begint ook de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt enig gezicht te krijgen.

Allemaal noemenswaardige aanpassingen aan de moderne tijd. De rode draad blijft niettemin herkenbaar: de politiek moet vooral niet te actief worden. Het is beter om de `maakbaarheid van de samenleving' aan anderen over te laten, aan het middenveld en de bestuurders. Ook het intermezzo van het kabinet-Den Uyl helpt dit `neo-corporatisme' niet om zeep. Je zou zelfs kunnen beweren dat het linkse ideaal van de `participatiedemocratie' in de praktijk slechts een adequate manier bleek om het verzuilde bestel op een nieuwe leest te schoeien. De Liagre Böhl durft dat niet met zoveel woorden te poneren. Maar hij sluit de politieke geschiedenis van Nederland tussen 1780 en 1990 op een vergelijkbare toon af. `De organisaties zijn baas in eigen huis' gebleven. En de overheid? Die is blijven betalen.

Onbeschaamd

Wat betekent die eeuwenoude traditie van `compromis, coalitie en consensus' nu eigenlijk voor de werkelijke controlekamer van Nederland: het publieke domein en zijn bestuurders? Dat is een vraag waarmee de politicoloog Paul Frissen wel raad weet, en wel veel onbeschaamder dan de bescheiden historici Aerts, Te Velde, De Rooy en De Liagre Böhl voor mogelijk zouden houden.

In zijn blader- en kijkboek De lege staat borduurt Frissen, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit in Tilburg, voort op zijn vorige studie De virtuele staat (1996). Frissen ziet in de staat een orgaan dat niet eenduidig is, en dat zijn politieke (en volgens hem in wezen totalitaire) pretenties niet kan waarmaken. De overheid heeft noodgedwongen afstand gedaan van haar streven naar `orde en harmonie', kan nauwelijks nog normeren en moet zich derhalve storten in de maatschappelijke `netwerken' die zich overal en nergens spontaan aandienen. Dat wàs weliswaar onze traditie al, maar de afgelopen decennia is de staat definitief weggezakt. Macht is hier een `leeg' begrip geworden. Dat is geen ramp, integendeel. Frissen vindt het `aangenaam' dat de burgers nu zijn onderworpen aan `principiële principeloosheid' en zo aan `politici zonder opvattingen'. Want politici die de samenleving normen willen opleggen zijn uiteindelijk ook `wreed'.

Hoewel minder dan in De virtuele staat wreekt zich in De lege staat wederom dat Frissen zijn werk naar eigen zeggen doet met een `Parker Duofold Mandarin Yellow, 0763/10.000' en vervolgens volledig laat uittypen. In de beperking kan Frissen zich geen meester tonen, hoewel hij in zijn blauwzwarte inkt jubelt over het digitale tijdperk, waarin eindredactie toch juist eenvoudiger is geworden dan in het analoge verleden.

De lijn in zijn werk is in de loop der jaren desondanks helderder geworden. Als (katholieke) hedonist, anarchist en liberale bourgeois werkt Frissen voor `the fun'. Dat voorkomt `tobberigheid en gerefomeerde zwaarmoedigheid'. Frissen houdt van de Nederlandse `stroperigheid' en de cultuur van `schikken en plooien'. Hij is niet geïnteresseerd in de onbedoelde uitkomsten van het politieke bestuur, hem gaat het om de `processen' zelf.In de checks and balances die de samenleving zoekt en vindt, ligt de democratische toekomst volgens hem besloten. `De consequentie hiervan is dat het publieke domein geen hiërarchisch, maar een anarchistisch karakter moet hebben. (...) Er is geen centrum. Het geheel is minder dan de som der delen'.

Een waarschuwing is op haar plaats: het vergt doorzettingsvermogen om deze rode draad te pakken te krijgen. Frissen is namelijk ijdel en wil dat weten ook. Zijn Alfa Romeo GTV is voor hem een biografisch `paradigma', net als zijn vulpen, zijn pakken en de andere spulletjes waarmee hij zich expliciet wenst te onderscheiden van niet-dasdragers als prins Claus. Maar wie de uitstapjes van Frissen terzijde schuift – al is het moeilijk je niet te ergeren aan passages met navertelde videoclips of heldenverhalen over het wezen der sauce hollandaise – kan hem niet helemaal ongelijk geven.

Zijn bestuurlijke waarnemingen zijn namelijk terzake. Frissen formuleert de rechten van de (post)moderne bureaucratie, die de ambtelijke klasse zelf al lang heeft opgeëist zonder te weten waarom en die ze nu graag gecodificeerd ziet. Zijn boek ligt op menig ambtelijk nachtkastje – een ambitie van de auteur, die boeken overigens overschat vindt.

Frissens sociologische sensitiviteit daarentegen is zo bot als een bijl. Dat komt omdat hij uiteindelijk de apologeet is van de winnaars. Aan de verliezers besteedt hij amper aandacht. Hij is al tevreden als hij laaggeschoolden in een gokhal met high-tech apparatuur ziet spelen. Dat is toch ook vooruitgang? Inderdaad. Ware het niet dat ook in die wereld het proces belangrijker is dan het doel of resultaat. Een potje knokken is een proces. Dat de gevangenis het onbedoelde resultaat kan zijn, interesseert Frissen minder.

Daar zit hem de kneep. Wie de gewijzigde productiekrachten in het publieke domein wil analyseren, zoals Frissen, moet ook een diagnose stellen van de veranderde productieverhoudingen die daarvan het gevolg zijn. Want het gaat nooit alléén om de mogelijkheden die nieuwe tijden bieden, het gaat altijd ook om de vraag wie ervan gebruik kunnen maken, en wie niet. Omdat Frissen die laatste en cruciale kwestie niet `vrolijk' genoeg vindt, verzandt uiteindelijk ook zijn eigen analyse in kleine gebaren.

Paul H.A. Frissen: De lege staat. Uitgeverij Nieuwezijds,

314 blz. ƒ75,–

Remieg Aerts, Herman de Liagre Böhl, Piet de Rooy en Henk te Velde: Land van kleine gebaren. Een politieke geschiedenis van Nederland, 1780-1990.

SUN, 384 blz. ƒ49,50