Klompendansen op Manhattan

Er wonen een paar honderdduizend houders van een Nederlands paspoort in de Verenigde Staten. Velen van hen hopen ooit de felbegeerde green card te krijgen, en daarmee een permanent verblijfsrecht. Niemand in Nederland die daar moeilijk over doet. Halverwege de negentiende eeuw lag dat anders. `Amerika was een land van losbollen, goddelozen en de Amerikaan was, aldus een Nederlandse reiziger, een ongelikte beer', noteert Lucas Ligtenberg in zijn studie over Nederlanders in de VS. Sinds 1840 was een stroom Amerikagangers op gang gekomen en met z'n allen krenkten ze de trots van de achterblijvers. De stakkers hadden stuk voor stuk goede redenen om Nederland voor gezien te houden – dienstplicht, armoede, religieuze discriminatie – maar niettemin werden ze vaak uitgejouwd op weg naar de Rotterdamse haven.

Als de achterblijvers De nieuwe wereld van Peter Stuyvesant hadden kunnen lezen, hadden ze genoeg redenen kunnen vinden om juist trots te zijn op het Nederlandse aandeel in de wording van de Verenigde Staten. De werkelijkheid was dat Nederlanders aan de wieg van de Verenigde Staten stonden; misschien niet al te prominent bij de revolutie in 1776, maar juist wel in de minstens zo cruciale anderhalve eeuw daarvóór. Tekenend is dat de honderd Engelsen die in 1620 met de Mayflower naar de Nieuwe Wereld zeilden, in Amsterdam en Leiden hadden gewoond, omdat ze het thuis niet protestants genoeg vonden. De kinderen van de Pilgrim Fathers waren al grotendeels vernederlandst.

Uiteraard willen de Amerikanen van deze Nederlandse invloed niet veel weten. Ligtenberg waarschuwt voor Angelsaksische historici die Nieuw Nederland – van 1625 tot 1664 rondom Manhattan – proberen af te doen als een `onbetekenend obstakel in de geschiedenis'. Als oorzaak noemt hij hun onbekwaamheid Nederlandse bronnen te raadplegen, maar je voelt dat er meer aan de hand is.

Tot voor kort althans. Ligtenberg meldt een `bewustwordingsproces' – inzake de Mayflower maar ook omtrent de ware oorsprong van New York. In 1977 nam de gemeenteraad van die stad een motie aan om het jaar van oprichting officieel te veranderen van 1664 in 1625, en om dat laatste jaar te vermelden op het stadswapen. Daarop staan verder twee bevers, twee biertonnen, vier molenwieken, een Burgher en een indiaan.

Laatstgenoemden mochten elkaar in en om Nieuw Amsterdam graag uitroeien; maar het waren incidenten, niet te vergelijken met de slachtingen van de achttiende en negentiende eeuw. In Nieuw Nederland verkochten de indianen regelmatig grond aan de nieuwkomers, en wat niet snel in gebruik werd genomen verkochten ze later gewoon opnieuw. Ligtenberg geeft mooie voorbeelden van Nederlanders die het goed met de indianen konden vinden, zoals Arent van Curler uit Nijkerk. In 1642 sloot Van Curler een belangrijk verdrag met vijf Mohawk stammen in de buurt, en het zou goed kunnen dat dit de Fransen ervan heeft weerhouden Nieuw Nederland bij Quebec in te lijven. Was dat wel gebeurd, dan hadden de Engelsen het in 1664 zwaarder gehad. Nieuw Nederland telde in dat jaar tienduizend kolonisten en in de omgeving, vooral op Long Island, woonden dertigduizend Britten. Gouverneur Peter Stuyvesant gaf zich gewonnen omdat hij toch geen kans had, en omdat hij wist dat de Engelse soldaten plundering in het vooruitzicht was gesteld. Een kolonie van vrijdenkers uit Zierikzee aan de Delaware rivier bood wel verzet: hun huizen werden vernietigd, de bewoners vermoord of afgevoerd als dwangarbeiders.

De Nieuwe Wereld van Peter Stuyvesant is een boeiende en prettig leesbare opeenstapeling van petites histoires. Het vergt soms enige inspanning de historische brokstukken in te passen in de grotere geschiedenis van Nederland respectievelijk Amerika, maar dat is ook een uitdaging. Ligtenberg volgt ruwweg de lijn van de historie, al wordt dat gaandeweg lastiger doordat de Nederlanders over een steeds grotere ruimte uitzwermden: eerst alleen naar Nieuw Nederland, later naar Wisconsin en Michigan, en weer later wordt Californië een favoriete bestemming.

Ligtenberg bezocht tientallen plaatsen waar Nederlanders zich nestelden en tekende hun verhalen op, of althans wat hun nageslacht nog wist te vertellen. Opvallend is het eindeloze proces van bij elkaar klitten en weer willen losbreken. Winterswijkers gingen medio vorige eeuw bijna allemaal naar Clymer, New York, rissen Friezen trokken begin deze eeuw naar de omgeving van Los Angeles, om daar melkvee te houden. Veel Nederlandse projecten strandden of spatten uiteen. In Amsterdam, Idaho staan tien van de twaalf huizen leeg, in een reeks andere Amsterdams is het niet veel beter. Ook Nederland, Colorado is zieltogend. Maar Nederland, Texas (16.855 inwoners), waar Gatze Rienstra uit het Friese Parrega in 1898 het eerste huis inelkaar timmerde, floreert en vierde uitbundig een Nederlands getint eeuwfeest. Ligtenberg verliest zich soms een beetje in dorre familiedetails, maar de alinea's waarin staat hoeveel kinderen uit welk huwelijk werden geboren en wie precies de zwager van wiens tante was, laten zich goed overslaan. Het leukst zijn de met veel anekdotes opgetuigde capita selecta, zoals het verhaal over Cornelis Steinigeweg die medio vorige eeuw 34 Betuwnaren zo gek wist te krijgen om samen met hem de ontginning van het Grand Island bij de Niagara Watervallen ter hand te nemen. Vooral de productie van spoorbielzen werd een succes. Ligtenberg vond in een kadasterarchief een kaart uit 1855 met Dutch Settlement erop en de naam `Stoneway'. In 1849 werd Steinigeweg ontslagen bij de gasfabriek van Amsterdam en overleed zijn moeder, dus emigreerde hij. Zo werkte dat toen. Ook illustratief: in 1865 ging hij op familiebezoek, raakte verwikkeld in de bouw van een nieuwe bierbrouwerij, en was pas in 1870 weer thuis. Overigens was hij ook de architect van de vorige editie van het American aan het Leidseplein.

Sinds 1609 trokken zo'n 450.000 Nederlanders naar de Nieuwe Wereld, en vijf miljoen Amerikanen zien hun afkomst als primair Nederlands. Sommigen gaan er prat op, zoals de leden van de Holland Society of New York, alleen open voor mannelijke nazaten van bewoners van het zeventiende-eeuwse Nieuw Nederland. Het meest prat op zijn Nederlandse afkomst ging waarschijnlijk Edward Bok (1863-1930), als kind geëmigreerd en al op zijn 25-ste hoofdredacteur van Ladies Home Journal, dat bij zijn vertrek in 1919 twee miljoen abonnees had, tien keer zoveel als toen hij kwam. Bok zorgde er ook voor dat Herfsttij der Middeleeuwen van Johan Huizinga in het Engels werd vertaald. Zijn autobiografie The Americanization of Edward Bok (1920) staat vol lessen die de Amerikanen van Nederlanders konden leren. En in het damesblad had hij beweerd dat geen land meer badkuipen per hoofd van de bevolking of een hogere moraal had dan Nederland, en dat daartussen een verband bestond. Hij zou blij zijn geweest met Ligtenbergs opsomming, achterin het boek, van de tientallen tulip festivals waarmee Nederlandse Amerikanen zich onledig houden. Eerder in De Nieuwe Wereld van Peter Stuyvesant staat dat het Nederlandbeeld van menige emigrant stolde, toen de boot loskwam van de kade, en dat blijkt. Niet filerijden en oeverloos vergaderen, methadonbussen en onaangelijnde pitbullterriers bepalen hun beeld van het moederland, maar klederdrachten, klompendansen en demonstraties straatschrobben. Het is een ironische noot – maar wel een grote – in een boek dat de echte Nederlandse bijdragen aan de Nieuwe Wereld voor een breed publiek toegankelijk maakt, en ze serieuzer neemt dan de gemiddelde Amerikaan bereid is te doen.

Lucas Ligtenberg: De Nieuwe Wereld van Peter Stuyvesant. Nederlandse voetsporen in de Verenigde Staten. Balans, 311 blz. ƒ39,50