In naam van de halve waarheid

Europa werd na de oorlog niet alleen economisch op de been geholpen door Amerikanen, maar ook artistiek. De CIA overspoelde de bankroete Oude Wereld met tournees, tentoonstellingen en tijdschriften. De intelligentsia moest worden bevrijd van haar anti-amerikanisme. Een Britse historica onthult welke meesterwerken dat heeft opgeleverd.

Robert Lowell, beroemd Amerikaans dichter, maakte in 1962 op kosten van de CIA een rondreis door Zuid-Amerika. Wat had de Amerikaanse geheime dienst met poëzie te maken? Wel, de Chileense communistische dichter Pablo Neruda dreigde de Nobelprijs voor literatuur te krijgen en Lowell werd in staat geacht de populariteit van de dichter van Canto General te ondermijnen.

In Buenos Aires liep het mis. De manisch-depressieve Lowell weigerde zijn medicijnen, dronk dubbele martini's en riep zichzelf in het presidentiële paleis uit tot `Caesar van Argentinië'. Na een lofrede op Hitler te hebben afgestoken, trok hij zijn kleren uit en besteeg naakt een ruiterstandbeeld op het centrale stadsplein. Zijn CIA-begeleider, door Lowell tot plaatsvervangend Caesar benoemd, liet hem enkele dagen later in een dwangbuis afvoeren naar de Clínica Bethlehem. Daar gaf Lowell de CIA-man opdracht `Yankee Doodle Dandee' en de `Battle Hymn of the Republic' te fluiten.

Op het onzichtbare slagveld van de `culturele Koude Oorlog' in het Westen sneuvelden de kunstsoldaten als gevolg van alcohol, depressies en zelfmoord. In het rijk van (de door Neruda bezongen) Stalin sneuvelden zij in de Goelag. Overigens ontving Pablo Neruda de Nobelprijs alsnog in 1971, toen hij inmiddels ambassadeur in Frankrijk was van de linkse regering-Allende. De staatsgreep tegen Allende, twee jaar later, behoort tot een heel ander hoofdstuk van de geschiedenis van de CIA dan het in Who Paid the Piper? beschreven chapiter.

Wie betaalde de rattenvanger? De Britse historica Frances Stonor Saunders kan geen waardering opbrengen voor de formidabele inzet van de Amerikaanse inlichtingendienst in de wereldwijde ideologische `worsteling om de harten en de geesten' gedurende een kwart eeuw na de Tweede Wereldoorlog. Haar onderzoek levert eerder een aanklacht op tegen de misleiding en omkoperij waarmee de CIA het culturele leven in het Westen probeerde te beïnvloeden. In naam van de vrijheid en onafhankelijkheid van de kunst werden kunstenaars gebruikt als pionnen in de psychologische oorlogvoering.

Ondanks de verontwaardigde toonzetting van haar boek bekroop mij onwillekeurig de gedachte dat de CIA veel goeds heeft gedaan voor het artistieke leven in het straatarme naoorlogse Europa. De Amerikanen hadden plenty Marshall-dollars te besteden. En zij beseften dat geen enkele `ideologische polemiek' over cultuur zo doeltreffend werkt als de manifestatie van culturele prestaties zelf. Politieke strategen kenden in de Koude Oorlog aan kunst en kunstenaars een betekenis toe om van te watertanden.

De CIA bestierde tot eind jaren zestig zo'n 170 filantropische en culturele instellingen. Tientallen miljoenen dollars stak de dienst in een geheim programma van `culturele propaganda', in het bijzonder in West-Europa. De operatie rustte op twee pijlers: anticommunisme en de `Kruistocht voor Amerika'. De intellectuele en culturele avant-garde was in de crisis van de jaren dertig en daarna, in reactie op fascisme en nationaal-socialisme, al te vatbaar gebleken voor communistische beïnvloeding. Bovendien leed de Amerikaanse elite aan een cultureel minderwaardigheidscomplex.

De fine fleur van de strategische denkers in Washington, Arthur Schlesinger, George Kennan, Averell Harriman, Chip Bohlen, kende in de anticommunistische cultuurpolitiek een sleutelrol toe aan ontgoochelde voormalige communisten en aan democratisch links in Europa. The God That Failed, de invloedrijke bundel waarin schrijvers als Arthur Koestler, Stephen Spender, André Gide, Ignazio Silone braken met hun communistische geschiedenis, was van A tot Z een product van de Westerse inlichtingendiensten. Maar de intellectuele betekenis ervan wordt daar niet minder om.

Mantelorganisaties

De in 1950 opgerichte International Organizations Division van de CIA hield er in Europa en daarbuiten allerlei mantelorganisaties op na, waarvan het Congres voor Culturele Vrijheid de belangrijkste was. Het hoofdkantoor zat in Parijs, dat nu eenmaal de wereldhoofdstad was van de fellow travellers, `behendige carrièristen met beperkte talenten zoals Picasso, Camus en Anouilh', om met Koestler te spreken. `Vrienden, de vrijheid is in het offensief gegaan', riep Koestler uit bij de oprichting van het Congres. Generaal John Magruder feliciteerde zichzelf met `een subtiele geheime operatie, uitgevoerd op het hoogste intellectuele niveau, (...) onconventionele oorlogvoering op zijn best.'

Onder de codenaam QKOPERA groeide de operatie uit tot iets wat nog het meeste wegheeft van een ministerie van Cultuur, dat in de VS niet bestaat. Via het Congres overspoelde de CIA Europa met concerten, exposities, tijdschriften, conferenties, zo'n duizend romans. Kunstenaars en geleerden kregen uit geheime fondsen prijzen, royalties, stipendia. Ironisch genoeg was de structuur van de organisatie afgekeken van de Komintern, de vooroorlogse communistische internationale. Het `politburo' en het organisatie-apparaat stonden onder leiding van de flamboyante CIA-agent Michael Josselson, een joodse vluchteling uit Wit-Rusland met een opleiding in psychologische oorlogvoering in het Amerikaanse leger. Een andere hoofdfiguur was de componist Nicolas Nabokov, neef van de schrijver Vladimir. Zijn rol als politieke mega-impressario is enigszins vergelijkbaar met die van de Duitse Komintern-agent Willi Munzenberg in de jaren dertig.

Koestler (die nog voor Munzenberg gewerkt had) werd al snel op een zijspoor gerangeerd. De CIA vond hem te rabiaat om weifelende intellectuelen in West-Europa te kunnen overtuigen. En dat was nu juist het doel: de bestrijding van elke vorm van `neutralisme', het `derde-weg-denken', de invloed van de Sartres en de Beauvoirs, alles wat afbreuk deed aan de geestelijke weerbaarheid van de artistieke en intellectuele bovenlaag in Europa tegen het rode gevaar. Daar was iets anders voor nodig dan Hollywoodfilms als The Red Nightmare, The Red Menace, Invasion USA en Red Planet Mars, die vooral moesten bewijzen dat Hollywoord zelf grondig van de roden was gezuiverd.

Om het misverstand over Amerikaanse culturele achterlijkheid te corrigeren, haalde het CIA-impresariaat in 1952 Igor Stravinsky, Leontyne Price, het Boston Symphony Orchestra, James T. Farell, W.H. Auden en vele anderen naar Parijs voor een festival van het Congres voor Culturele Vrijheid. Om tegelijk de `stalinistische propaganda' over rassendiscriminatie in de VS te weerleggen, werd voor de uitvoering van Virgil Thomsons opera Four Saints een geheel zwarte cast ingehuurd. Uit de oude wereld gaven onder anderen Jean Cocteau, Claude Debussy, William Walton, Laurence Olivier, Benjamin Britten, Raymond Aron, André Malraux acte de presence. Zo zouden nog vele `veldslagen' in de culturele Koude Oorlog volgen.

Hilarisch

Stonor Saunders wijdt ook een hilarisch hoofdstuk, `Yankee Doodles', aan de inspanningen van de CIA op het gebied van de beeldende kunst in de jaren vijftig. Populistische politici in de VS verketterden, precies als de heersers in het Kremlin, alle vormen van het modernisme in de kunst als volksvijandig, gericht op de ondermijning van de gevestigde orde en de heersende moraal. Het `abstract expressionisme' (Jackson Pollock, Mark Rothko, Barnett Newman) was in die visie niets anders dan een `communistische samenzwering', `subversief' en `on-Amerikaans'. Maar de mandarijnen van het culturele leven in New York dachten daar anders over. Zij ontdekten zelfs een politieke verdienste in, bijvoorbeeld, Pollocks action painting: ongebondenheid, individualisme, alles wat de Sovjets haatten, de antithese van het `socialistisch realisme'.

Onbezwaard door de heersende kunstopvattingen in politiek Washington, ontpopte de CIA zich vervolgens als de grootste bondgenoot van de non-figuratieve kunst. Dankzij intensieve samenwerking tussen de geheime dienst en het Musueum of Modern Art in New York (MoMA) werd West-Europa bedeeld met grootse exposities van Amerikaanse modernisten. Abstracte kunst onderging zo een wonderbaarlijke gedaantewisseling, van `communistische subversie'tot ideologisch wapen van het Vrije Westen.

Op zijn hoogtepunt, eind jaren vijftig, had het Congress for Cultural Freedom kantoren in 35 landen en tientallen voltijdse medewerkers in dienst. Het publiceerde minstens twintig prestigieuze cultureel-politieke tijdschriften. Vlaggenschip was sinds 1952 het maandblad Encounter, bij de oprichting waarvan onder anderen Malcolm Muggeridge was betrokken. De Amerikaanse hoofdredacteur Irving Kristol stond volgens Stonors Saunders bij de CIA op de loonlijst, zijn Britse collega, schrijver en oud-communist Stephen Spender, werd door de Britse `neven' betaald.

Veel in dit boek draait om geld. Een hoofdkenmerk van de CIA-operatie op het gebied van de cultuur was namelijk de ontkenning van het bestaan ervan. CIA-chef Allen Dulles begreep dat het succes van het Koude-Oorlogsprogramma afhing van de vraag of het in staat was `onafhankelijk te lijken van de regering, om zo de schijn te wekken dat het een gevolg is van de spontane overtuiging van vrijheidslievende personen'. Who paid the Piper? is dan ook geschreven volgens een sinds Watergate beproefd onderzoeksrecept:`follow the money!' Conferenties over twintigste-eeuwse muziek, tournees van de Metropolitan Opera, het tijdschriftenconsortium van het Congres voor Culturele Vrijheid hebben de Amerikaanse belastingbetalers kapitalen gekost.

Uit talloze archieven (die van de CIA kreeg ze niet te zien) diepte de auteur een stortvloed aan gegevens op over geheime geldbronnen en witwasoperaties. CIA-mantelorganisaties als de Farfield Foundation waren in een omvangrijk en ingewikkeld web verknoopt met onverdachte stichtingen, zoals de Ford Foundation en de Rockefeller Foundation. Soms haalde Michael Josselson bruine enveloppen met contanten op in Parijse nachtclubs, waar de CIA figuren uit de onderwereld placht uit te betalen voor de diensten van knokploegen bij het breken van stakingen in de haven van Marseille.

Heksenjagers

Waarom moesten al die culturele activiteiten en kunstsubsidies zo nodig geheim blijven? Een van de redenen was van binnenlands-politieke aard: heksenjagers als senator McCarthy mochten er geen lucht van krijgen dat de CIA steun verleende aan niet-communistisch links, socialistische vakbonden en high brow tijdschriften. McCarthy vond de CIA toch al verdacht links, een vrijplaats voor liberals en kritische geesten. Een aardige paradox. Tegelijk heiligde voor de CIA het doel alle middelen. Ook dat levert een paradox op: de verdediging van de democratie gebeurde met antidemocratische methoden en door antidemocratische figuren. Hoe kon kunst aan de ene kant autonoom zijn, vraagt Stonor Saunders zich af, en aan de andere kant, als het zo uitkwam, in politieke dienstbaarheid worden gedwongen?

Het was wat Koestler noemde de `strijd tegen een totale leugen in de naam van een halve waarheid'. Toch lieten zich, tot in de supergeheime Psychological Strategy Board toe, soms tegenstemmen horen. Een van de critici waarschuwde tegen het elitedenken in de CIA en tegen haar streven op alle terreinen van kunst en wetenschap een systeem van waarden aan anderen op te leggen. `Dat is zo totalitair als maar kan', waarschuwde hij. Wel hield de geheime dienst de teugels ruim. Stonor Saunders spoorde slechts twee gevallen op waarin van hogerhand de inhoud van Encounter werd gecensureerd. Tegelijk was dit blad volgens haar nooit geheel vrij van de psychologische veinzerij van de Koude-Oorlog. Het was in schijn onafhankelijk.

In het geboortejaar van Stonor Saunders, 1968, waren de protagonisten van de Koude Oorlog al uit de mode. The New Left, de Beatniks, de protestgeneratie, onthullingen over de octopus-achtige invloed van de CIA, hadden het tij doen keren. Ook niet-communistisch links, voorheen bondgenoot van de CIA, keerde zich tegen de oorlog in Vietnam. Encounter verloor zijn geloofwaardigheid doordat Ramparts en The New York Times onthulden dat de CIA erachter zat.

Waar was nu de greep van de geheime dienst op het culturele leven gebleven? Ik denk dat Stonor Saunders de invloed van de CIA op het denken en de kunst per saldo overschat. De deelnemers aan de culturele Koude Oorlog geloofden in wat ze deden, in de democratie en in het Russische gevaar, zoals de communisten en hun volgelingen geloofden te strijden tegen imperialistische uitbuiting en voor het afwenden van een atoomoorlog.

In zekere zin is Who paid the Piper? dan ook te lezen als pendant van David Caute's standaardwerk The Fellow Travellers uit 1973. Daarin gaat het over de leden van de culturele elites in het Westen die, bezield door humanistische idealen en uit verontwaardiging over kapitalistisch onrecht, lange of korte tijd aanklampten bij het communisme of het Sovjet-model. Naar aanleiding van dat boek vroeg H.W. von der Dunk zich af hoe het mogelijk was dat zoveel prominente kunstenaars – van Picasso tot Shaw, van Heinrich Mann tot Sartre – hun ogen konden sluiten voor de paradox dat het communisme, dat gelijkheid en vrede predikte, ongelijkheid en geweld voortbracht. Een deel van het antwoord ligt in het manicheïstische wereldbeeld van de Koude Oorlog.

Mogelijk heeft het Congres voor Culturele Vrijheid met zijn fondsen en dure kantoren, vette vergoedingen, en schitterende luxueuze buitenverblijven kunstenaars gecompromitteerd of voor morele dilemma's geplaatst. `Suckers or hypocrites?' vraagt Stonor Saunders zich af. Raymond Aron, André Malraux, Mary McCarthy, Hannah Arendt, Saul Bellow, Yehudi Menuhin: ze wisten wie er achter het Congres voor Culturele Vrijheid schuilging of hadden het moeten weten. Stephen Spender hield achteraf vol naïef te zijn geweest, hij had nooit geweten waar het geld voor Encounter vandaan kwam, hij voelde zich misbruikt. Anderen waren minder schuldbewust, zoals Irving Kristol, die zei: `Als het enige lezenswaardige blad in Groot-Brittannië betaald werd door de CIA, dan moeten de Britten verdomd dankbaar zijn.'

Frances Stonor Saunders: Who Paid the Piper. The CIA and the Cultural Cold War.

Granta Books, 509 blz. ca. ƒ77,-