Gevallen engel

Oude jeugdhelden kunnen diep vallen. Aflevering 34 in Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Tegenover de droom staat de nachtmerrie. Kijk een etmaal lang in Amerika naar de televisie en je raakt hopeloos bekneld tussen beide. Er is de moedige strijd, het geloof in jezelf, het verbeten volhouden ondanks alle tegenslag, en dan onvermijdelijk de overwinning, de doorbraak, het hoogtepunt, het geluk en de roem en de liefde. Dat is de droom. De nachtmerrie is de verstoorde idylle, de drankzucht en de verslaving, de psychische implosie, de langzame neergang of de plotselinge tragedie, de buurman als je moordenaar, jijzelf als de moordenaar van je buurman, het faillissement, de rechtzaak en als het echt tegenzit, de dodelijke injectie.

Het geloof in jezelf tilt je op tot onvoorstelbare hoogten, je uitgestoken hand reikt tot aan de hemel.

De goden tillen je hoog op en gooien je dan opeens met een smak terug op aarde. En je ziet maar hoe je jezelf redt.

In de talkshow van Oprah Winfrey worden die twee hyperbolische, elkaar uitsluitende wereldbeelden steevast afgewisseld, zonder dat ze ooit met elkaar worden geconfronteerd. Je kunt afvallen, jezelf geestelijk vrij maken door meditatie, familieruzies bijleggen, je carrière voorbeeldig plannen, jezelf bevrijden van alles wat je in je jeugd aan ellendigs is overkomen. Het leven is zo ontzettend, zo onvoorstelbaar maakbaar. Maar dan schieten twee scholieren in Colorado twaalf medescholieren dood, en ze worden vervolgens nagevolgd door een handvol elf- en twaalfjarigen met een half-automatische geweer. En dan openbaart zich ineens het huizenhoge probleem van Onze Gewelddadige Kinderen, die hun leven lang verwaarloosd zijn door hun ouders, op iedere straathoek een arsenaal aan wapens kunnen kopen en uit hun isolement breken door overal in het land dood en verderf te zaaien. Alles in onze wereld gaat van kwaad tot erger. De hemel die binnen je bereik lag, verandert plotseling in een peilloze afgrond.

Een van de populairste programma's van dit moment in de Verenigde Staten heet Behind the Music, waarin verhaald wordt van de levensloop van pop- en rockzangers achter de schermen van hun carrière. De artiesten werken er zelf aan mee en praten openhartig over hun gevoelens en privéleven, ook degenen die niets te klagen hebben, zoals Madonna en Cher. Maar het merendeel van de afleveringen gaat toch over zangers van de neergaande lijn, de eens zo wereldwijd beroemde sterren waarvan je je niet eens meer afvraagt: waar zijn ze gebleven?

Ze zijn er nog, blijkt tot je verbazing, en ze worden allemaal voor de camera gehaald om hun verhaal te vertellen. Die verhalen zijn steevast van het tweede soort, de nachtmerrie, de afgrond. Vroegoude mannen met verlopen koppen vertellen over de laatste plaat die flopte, terwijl ze er juist zoveel van zichzelf hadden ingelegd, over hun verslavingen en echtscheidingen en zelfmoordpogingen, en over de onvermijdelijke rechtzaak tegen hun manager, die hen in hun gloriejaren natuurlijk voor miljoenen getild had.

Afgelopen week was het Teen Idol Week in de reeks. Nu kwam alle verhaalde ellende plotseling dicht in mijn buurt, want dit waren de sterren uit mijn onbezorgde jeugd. Donny en Marie Osmond, The Bay City Rollers, stuk voor stuk mochten ze vertellen hoe geweldig het eens geweest was – en hoe daarna de prijs betaald werd. Vooral aangrijpend bleek het verhaal van Leif Garrett, die ik me alleen herinnerde van zijn disco-hit I was made for dancing uit het einde van de jaren zeventig. Leif was een echte teenage heartthrob, een meisjesachtige blonde engel. Hij acteerde in een paar sit-coms, werd ontdekt door twee sinistere broers en scoorde hit na hit, vrijwel allemaal oude rock 'n' roll liedjes die van een suikerzoet laagje waren voorzien. Natuurlijk wilde Leif eigenlijk iets anders, achter zijn engelengezicht school een echte rock 'n' roller, maar hij was wel een ster en het geld bleef maar binnenstromen. Toen volgde het bekende verhaal: drank en orgieën, een mislukt tienerhuwelijk, een heroïne-verslaving en een auto-ongeluk, waarbij zijn beste vriend levenslang verlamd raakte. En daar zat Leif nu, anno 1999, onherkenbaar, met een bandanna om zijn voorhoofd geknoopt, omdat hij bijna al zijn blonde lokken was kwijtgeraakt. Zijn huid was alweer aardig hersteld van de heroïne-afbraak, maar zijn gezicht was zijn vorm kwijt en zijn ogen straalden een permanente wanhoop uit. Hij probeerde al jaren weer een poot aan de grond te krijgen in de muziekwereld, maar alle deuren bleven voor hem gesloten. Nu had hij weer een eigen band en hij maakte de muziek die hij altijd al had willen maken, verklaarde hij trots en vol hoop.

Natuurlijk bleek hij helemaal niet te kunnen zingen.

De uitzending eindigde spectaculair met Leif snikkend in de armen van zijn jeugdvriend, die de twintig jaren van Leifs onstuitbare neergang in een rolstoel had gezeten. Voor Leif, die nu al zo lang op de boulevard of broken dreams leefde, was het uur van de waarheid daar: snikkend bekende hij zijn vriend hoe schuldig hij zich voelde, hij had tenslotte het ongeluk veroorzaakt. De vriend in de rolstoel wilde er niet van horen. Deze had zich in zijn ellende juist tot droom bekeerd, je moest alles in dit leven positief zien: `Man, you saved my life.' En hij zei ook nog dat hij voor geen miljoen dollar in de schoenen van Leif wilde staan, hijzelf was veel liever slachtoffer dan dader. Voor Garrett verder sputterde, zag je even het ongeloof in zijn ogen. Zijn vriend begreep hem niet, hij was schuldig.

De twee werelden kwamen weer niet bij elkaar.

Omdat je zelf nog wel eens gedanst hebt op I was made for dancing (geef toe, had je het plaatje zelfs niet gekocht?), was het onvermijdelijk bij het zien van de snikkende Leif niet bevangen te raken van een soort hopeloze nostalgie. Hij en de andere teen idols uit die tijd waren een soort elfjes geweest, geslachtsloos en ongeharnast tegen de klappen die het leven uitdeelt, niet eens klaar voor de liefde.

Hun muziek was non-muziek, even vergeetbaar als de nummers van The Backstreet Boys en Ricky Martin tegenwoordig, maar ook nog eens veel minder wereldwijs – onschuldig op het wezenloze af. De belofte die ze uitstraalden was de droom in zijn zuiverste vorm – dat je altijd even boven de wereld kon blijven zweven, onaangeraakt door de wereld, en nooit je handen vuil hoefde te maken, nooit bezoedeld zou worden door de ervaring.

Het was een leugen, een berekenende, commerciële leugen, maar wel een die inspeelde op een instinctief verlangen. En, dat was de verrassing, een verlangen dat je kennelijk nooit kwijtraakt, ook al weet je nu beter. De ironie wilde dat Garrett alle illusies over onaantastbare glorie achter zich had gelaten en openlijk voor de camera zijn vuile handen liet zien, terwijl zijn verlamde vriend zich zijn droom juist had eigengemaakt, in een aan zijn leeftijd aangepaste, evangelische vorm: hij kon aan de ellende van het leven ontstijgen, ook al zat hij in een rolstoel. Sterker nog, juist omdat hij in een rolstoel zat.

Leif Garrett had zijn lesje geleerd, hij was niet op de wereld gezet om te dansen. Zijn neergang laat je een glimp van je eigen tragische vergankelijkheid zien. Maar daardoor begrijp je zijn vriend des te beter, die ongetwijfeld aan rolstoeldansen doet.