Geschiedenis op drijfzand

Er zijn boeken over geschiedenis die interesse wekken door de erudiete passie waarmee ze zijn geschreven, al berust het betoog op vergissingen en mondt het via wankele redeneringen uit in onhoudbare conclusies. Waterloo, Verdun, Auschwitz van Eelco Runia is zo'n boek. Er zijn ook boeken over geschiedenis die interesse wekken door de vergissingen, wankele redeneringen en onhoudbare conclusies, al zijn die met passie opgeschreven. Geschiedenis in het groot van Fred Spier is zo'n boek.

Het gaat hier om auteurs die recent in historische kring enige aandacht hebben getrokken. Runia is psycholoog en historicus, en zijn proefschrift De pathologie van de veldslag, over de geschiedopvatting in Tolstojs Oorlog en vrede, werd in 1996 genomineerd voor de Gouden Uil. Fred Spier werd opgeleid als biochemicus, cultureel antropoloog en historisch socioloog en is thans verbonden aan het Instituut voor Interdisciplinaire Opleidingen van de Universiteit van Amsterdam. Zijn boek is een vertaling van het bij dezelfde uitgever verschenen The Structure of Big History. From the Big Bang until Today, dat in eigen kring enthousiast werd onthaald.

Runia's bundel heeft als thema de relatie tussen geschiedschrijving en de vraag hoe samenlevingen reageren op gebeurtenissen die het `bestaande werkelijkheidsbeeld' te buiten gaan. In zijn ogen hebben grote historici zoveel succes omdat hun onderwerp (de Peloponnesische Oorlog, of de Eerste Wereldoorlog) voordien ondenkbaar was geweest. Hun grootheid schuilt erin dat zij het ooit ondenkbare in een nieuw geschiedbeeld hebben weten in te passen. Runia wil kortom onderzoeken `in hoeverre de manier waarop historici qua vorm op een anomalie responderen spoort met de manier waarop de anomalie `leeft' binnen de maatschappij waaruit zij hun publiek rekruteren'.

In zijn ogen gaat deze samenhang tussen catastrofe en nieuw geschiedbeeld echter niet op voor de Tweede Wereldoorlog. Runia meent dat de wijze waarop `wij' met de holocaust omgaan `opmerkelijk te noemen' is. Er worden wel veel deelstudies ondernomen, maar geen pogingen om `de héle geschiedenis te herzien'. De holocaust blijft `Vergangenheit die maar niet vergehen wil'. Dit komt, legt Runia uit, door een `posttraumatische disjunctie tussen werkelijkheid en wereldbeeld'. Door de kloof tussen wat we voor mogelijk hielden en wat er in Auschwitz gebeurde, is er volgens Runia een ambivalentie ontstaan tussen enerzijds het `historiseren' van de oorlog (ofwel het `assimileren' ervan in de geschiedenis), en anderzijds het `exponeren' van de oorlog (ofwel het `in ere houden' ervan). Daarom is het, als ik het goed begrijp, niet gelukt dit verleden te `liquideren'.

Overspannen

Dit klinkt allemaal enigszins overspannen, en dat is het ook. Uiteindelijk is Runia's stijl eerder imponerend dan informerend. Maar het probleem van zijn boek gaat dieper dan een vormkwestie. Ik vrees dat het idee waarop deze essays zijn gegrondvest, namelijk dat geschiedschrijving bloeit na het werkelijk worden van het `onvoorstelbare', op drijfzand staat, en meer klank dan inhoud heeft. Het `onvoorstelbare', de `anomalistische gebeurtenis', het zijn verontrustend zompige begrippen. Aangezien niemand zich nu eenmaal het `onvoorstelbare' kan voorstellen, is het alleen mogelijk een gebeurtenis achteraf te benoemen als `onvoorstelbaar' (dus als men zich alles juist wél kan voorstellen). Bovendien lijkt het begrip me typisch modern en niet erg geschikt als historisch instrument voor tijden waarin `anomalieën' juist heel goed passen, bijvoorbeeld in een magisch wereldbeeld.

Het minste ongerief is nog dat het motto van dit boek `Im Anfang war die Tat' niet is verzonnen door Freud, zoals de auteur meent, maar afkomstig is uit Goethe's Faust. Vergeeflijk is ook dat Runia schrijft dat Thucydides zijn geschiedwerk begon toen hij `op 31-jarige leeftijd verbannen werd'. Dit impliceert dat Runia als enige het exacte geboortejaar kent van de Atheense geschiedschrijver – die in 424 v.Chr. werd verbannen – en bovendien dat hij de tweede zin van het bedoelde geschiedwerk niet heeft gelezen, waarin Thucydides schrijft dat hij zijn werk begon toen de Peloponnesische Oorlog uitbrak, in het jaar 431 voor Christus.

Dit is nog klein bier vergeleken met Runia's poging te verhelderen `hoe in het post-napoleontische Frankrijk gepoogd werd de alle perken van het normale te buiten gaande revolutie van 1789 (...) ``over' te laten gaan'. Het gaat hier om de vraag hoe de Franse geschiedschrijvers deze `anomalistische' gebeurtenis aanpakten. Wat volgt is een psychologiserende interpretatie van de bloei van de Franse historiografie in de negentiende eeuw (`een worsteling met de brute gegevenheid van de feiten'). Helaas ontbreekt het belangrijkste element van die bloei: de professionalisering van de geschiedwetenschap die in Frankrijk veel sterker optrad dan elders in Europa.

Runia schrijft wel over de `Vergangenheitsbewältigung' van François Guizot, Augustin Thierry en Jules Michelet, maar niet over het feit dat de Franse overheid reeds in 1818 besloot het geschiedenisonderwijs toe te vertrouwen aan speciale leraren. Hierdoor zou het aantal beroepshistorici na 1830 sterk toenemen. Evenmin vernemen wij iets over het gegeven dat de Fransen behalve met de revolutie van 1789 tijdens de negentiende eeuw ook nog in het reine moesten komen met de Juli-monarchie, de Tweede Republiek, het Tweede Keizerrijk, de Derde Republiek en de catastrofe van 1871. Deze gebeurtenissen gingen blijkbaar niet `hun perken te buiten'.

Over het onderwerp van de Franse geschiedbeoefening in de negentiende eeuw is de uitputtende dissertatie van Pim den Boer voorhanden (Geschiedenis als beroep, 1987). Runia heeft dit informatieve werk niet geraadpleegd, en dat is tekenend voor zijn aanpak. Meer dan eens blijkt onder het glanzend vernis van zijn betoog een wankel bouwwerk te schuilen. Wellicht door zijn sympathie voor het `narrativisme' (dat hij abusievelijk `de meest spraakmakende richting in het naoorlogse denken over geschiedenis' noemt) lijkt Runia meer geïnteresseerd in meeslepende metaforen en in biologerende stijlbloempjes dan in het bescheiden ideaal van de groei van kennis.

Oerknal

Dat kan niet worden gezegd van Fred Spiers Geschiedenis in het groot. Dit boek is naarstig op zoek naar kennis (in het bijzonder kennis die de universele geschiedenis van oerknal tot heden verklaart), maar blinkt daarbij niet uit in stilistische hoogstandjes. Het belang van dit werk schuilt in het feit dat een blik wordt gegund op de cursus `Geschiedenis in het groot' die door Spier en de socioloog Joop Goudsblom is verzorgd aan de Universiteit van Amsterdam. Doel is om in één greep een samenhangend beeld te geven van het gehele verleden, `vanaf het begin van het heelal tot het leven op aarde nu'. Helaas moet de auteur vaststellen dat, terwijl kosmologen en biologen wel een `structurerend denkkader' hebben ontwikkeld voor zo'n weidse visie (oerknal, evolutietheorie), de historici lelijk achterblijven. Dat komt volgens Spier niet `doordat het verleden van onze eigen soort dermate complex zou zijn dat zo'n samenvatting noodzakelijkerwijs buiten ons begripsvermogen valt'. Er zijn gewoon te weinig pogingen gedaan, meent hij, omdat mensheidsgeschiedenis te weinig academisch aanzien heeft.

Dit boek wil daarin verandering brengen. Daartoe poneert Spier de term `regime', die wordt gedefinieerd als `een meer of minder regelmatige, maar uiteindelijk instabiele proces-structuur'. Wie oog heeft voor de elasticiteit van deze definitie, zal het niet verbazen dat het begrip `regime' vervolgens naadloos blijkt te passen op de oerknalkosmologie, de quantummechanica, de menselijke biologie (`wij bestaan dus allemaal uit sterrenstof'), de draaiing der planeten, de wording van de mens, de agrarische revolutie (`de opkomst van het gebruik van gefermenteerde dranken waaronder bier en wijn moet mede in dit verband worden begrepen'), de industriële revolutie (`Zoals Karl Marx dat in Das Kapital treffend verwoordde, bracht de eerste fase van het industrialisatieproces zeer veel ellende met zich mee') – ja op werkelijk alles wat zich sinds de vorming van de oersoep heeft voorgedaan.

Religieuze toon

Geen wonder dat de conclusie van dit boek luidt dat de term `regime' `een nuttige rol speelt bij het analyseren van de alomvattende geschiedenis' en dat `alle aspecten van de natuur kunnen worden opgevat als regimes'. Dit is een vaststelling van de soort dat het begrip `God' een nuttige rol speelt in de Bijbel: men verzint iets dat a priori op alles van toepassing is, en dan blijkt dat inderdaad het geval te zijn, waardoor het bestaan ervan gerechtvaardigd lijkt. Geen wonder dat dit boek een nogal religieuze toon heeft (`op de rand van het nieuwe millennium ervaart de gehele mensheid een ongekende onderlinge verbondenheid').

Met geschiedschrijving heeft dit alles weinig te maken. Wat hierover te berde wordt gebracht door Spier overstijgt zelden de nietszeggendheid: `Het industrialiseringsproces had niet kunnen optreden zonder een lange aanloop van specifieke politieke, economische, sociaal-culturele, technische en wetenschappelijke ontwikkelingen'. Of: `Lang niet alle aardbewoners bevinden zich in een positie om met succes aan het proces van mondiale wedijver deel te kunnen nemen'.

Het bezwaar van dit soort alomvattende universele geschiedenissen is niet, zoals Spier denkt, dat ze worden verhinderd door de academische specialisatie of doordat historici erop neerkijken. Het bezwaar is dat de geschiedenis van `alles' geen probleem is, en dat er dus ook geen antwoord mogelijk is dat meer behelst dan een vaag en ongefundeerd holisme.

Teleurstellend aan beide boeken is vooral te zien hoe wetenschappers in hun geschiedschrijving kunnen verdwalen, omdat zij zich niet vaak genoeg de vraag stellen: `Wat betekent de zin die ik opschrijf nu eigenlijk?' Zeker is dat beide werken veel zouden hebben gewonnen bij het uitgangspunt dat een bewering een minimale mate van geldigheid, informatiegehalte en probleemoplossend vermogen dient te hebben, wil zij het waard zijn te worden opgeschreven.

Eelco Runia: Waterloo, Verdun, Auschwitz. De liquidatie van het verleden. Meulenhoff/Kritak,

240 blz. ƒ36,90

Fred Spier: Geschiedenis in het groot. Een alomvattende visie. Amsterdam University Press,

184 blz. ƒ39,50