De straat is mijn huiskamer

Isaac Israels was een wonderkind dat zich in zijn schilderijen en tekeningen laafde aan het leven van alledag.

Zijn naam spettert al wekenlang in rode letters vanaf de Kunsthal in Rotterdam: `Isaac Israels verwacht'. Alsof de kunsthistorische wereld hem verwaarloosd heeft en nu pas de tijd rijp vindt het wonderkind van zijn trotse vader Jozef Israels, het internationale `gezicht' van de Haagse School, eindelijk de eer te geven die hem toekomt.

Het toeval wil dat het Kröller-Müller Museum in Otterlo al veel eerder een overzicht van zijn Isaac Israels-collectie had gepland. Dit museum bezit behalve 23 schilderijen nog zo'n driehonderd tekeningen en aquarellen. Nu het museumdak met een ingenieus lamellen-systeem is uitgerust, kunnen al die tekeningen, schetsen en losse flodders voor het eerst, ingelijst en wel, het Veluwse daglicht verdragen. Een kostbare, eenmalige gebeurtenis, zegt woordvoerder Ralph Keuning, die verder losstaat van wat de Kunsthal brengt. Alleen de openingsdatum van beide tentoonstellingen, 4 september a.s., is op elkaar afgestemd.

`Chroniqueur van het vlietende leven' heet Isaac Israels (1865-1934) in Otterlo. Hij was niets meer en niets minder. In theaters en kroegen, op straten en stranden, in fabrieken en danslokalen: ooit stond er vóór en na de eeuwwisseling een heer met een ovaal hoofd, rossig haar en een sikje, gewapend met een schetsboek, zwijgend zijn ogen uit te kijken. Niet omdat er gestunt werd. Integendeel, een dame las er in de namiddag een boek bij het café-raam, een revue-meisje schminkte zich nog even en een naaister stikte de zoveelste zoom. Elk van die vrouwen ging in razende vaart het papier op, in krijt, pastel of potlood, in olieverf en aquarel – alsof de fotografie nog steeds sciencefiction was en alleen de tekenhand zich leende voor een snapshot. `Je moet niet te lang op de dingen doorgaan, dan krijg je er een dégout van', vond Israels. Aan dat credo hield hij zich levenslang. Ging er iets mis, dan begon hij meteen op een nieuw stuk papier, desnoods drie, vier keer hetzelfde tafereel – net zo snel, een beetje anders en soms iets treffender. Die onrust erfde hij van zijn moeder, zegt men nu. Een kloek, die het niet kon laten om zich met de carrière van haar volwassen zoon te bemoeien.

Isaac Lazarus Israels heeft zich gelaafd aan het `gewone', dagelijkse bestaan. Hij lette liever op de doordeweekse dingen die voorbijgaan, dan op het lijden dat doet stilstaan. Dit in tegenstelling tot zijn vader Jozef, die tot ver over de landsgrenzen furore maakte met tegenslagen en tragedie. De verdronken visser, moeders graf, de tobbende `loner' aan de rand van zijn bed: die ellende, die apathie, soms met pathos neergezet in doemlagen van donkere verf, wilde zijn zoon graag verre van zich houden. De stedelijke dynamiek kon hem niet vitaal en beweeglijk genoeg zijn. Hij liet de stad voor zich poseren en hield er de slagersjongens, de sjouwers en straatmeiden in de gaten.

Want `de straat is mijn huiskamer', vond Israels, en dan vroeg hij maar weer voor de zoveelste keer een vergunning aan om met zijn veldezel de Amsterdamse grachten af te slenteren. Want in Amsterdam, dat vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw uitdijde met nieuwe industrieën en randstedelijke woningbouw, wilde een flinke kluit kunstenaars vooral `van zijn tijd zijn' – met de neus bovenop de moderniteit. Neem Breitner, van wiens werk Israels steeds `een opdonder' kreeg, zoals hij zelf zei, en van wiens bouwputten en bruisend verkeer hij de meeste invloed zou ondergaan. Of het nu de Amsterdamse Munt in de negentiende-eeuwse spits was, het stillere Noordeinde in Den Haag of de Rue Clignancourt in Parijs: Israels bovenaanzichten wervelen van leven, je ziet dat hij het penseel als een dolk hanteerde, zoals iemand schreef. Een brede dolk, met de duurste verf, die hier een lik uitdeelt en daar, rats rats, met een klodder ivoorwit nog even langs een gevel jakkert.

Danslokaal

Behalve met collega's als Willem Witsen en Hendrik Haverman, onderhield Israels in Amsterdam ook contacten met de Tachtigers, met leden van de Nieuwe Gids – Albert Verwey, Frederik van Eeden en Willem Kloos – met wie hij 's avonds van danslokaal naar café trok. Literatuur en beeldende kunst waren nog sterk aan elkaar verknocht. Hij moet in een van de Amsterdamse lokalen ongetwijfeld die twee stevige vrouwen hebben gezien, innig schuifelend, in dieprode en zwarte verf, alsof het dansen nooit zou ophouden. Het is een van de kleurrijkere doeken in Otterlo, maar minder mooi dan het majesteitelijke portret van Mata Hari. Ze staat er ten voeten uit, een jaar voor haar executie, donkergrijs gekleed als een strenge `grande dame', zelfverzekerend, hooghartig en niet `zu haben'.

Alle volgende vrouwen – Israels kon er geen genoeg van krijgen – deden op het doek voor Mata Hari onder, uitgezonderd de feministe Aletta Jacobs en de actrice Fie Carelsen. Op de vele schetsen kwamen vooral de `volkstypes' aan bod. In zwarte uithalen en krijt-arceringen volgde Israels op straat de waspitten – de grofkoppige meisjes van de kaarsfabriek –, de dagmeisjes – die dienstboden voor overdag – en de mondainere types die hun tijd doodden bij het modehuis Hirsch op het Leidseplein. Een enkel grachtgezicht is tot in de finesses van potloodspinraggen uitgewerkt, maar bij zijn passanten hield Israels het op een aanzet, een vluchtige verkenning van gezicht en houding die hem later op een atelier-doek van pas kon komen.

Israels zelf was bepaald niet `van de straat'. In Den Haag, waar, zoals hij zelf zei, `nóóit iets gebeurde', was zijn ouderlijk huis op de Koninginnegracht een artistieke duiventil. Met kunstenaars als Max Liebermann en Edouard Manet, H.W. Mesdag en J.H. Weissenbruch, werd thuis graag van gedachten gewisseld. En beginnende collega's konden altijd bij zijn vader aankloppen.

Zijn ouders prezen onbedaarlijk het teken- en schildertalent van hun zesjarige, enige zoon, die later de biljartkamer als atelier mocht inrichten. Ze haalden hem, twaalf jaar oud, van school om gezamenlijk door Europa te trekken. Geen opening van de jaarlijkse Parijse salon of de familie was van de partij. Aangezien Jozef Israels een fervent netwerker was – belezen, muzikaal en destijds net zo beroemd als de collega's Ary Scheffer en Laurens Alma Tadema – kwam diens zoon gemakkelijk over de vloer bij Emile Zola, Odilon Redon en Puvis de Chavannes.

Socio-drama's

En zo had Israels – Ietje, voor vrienden – ook een streepje voor toen hij op zestienjarige leeftijd al deelnam aan de Parijse Salon. Maar het moet gezegd: wie nu een van die vroege schilderijen, die socio-drama's, in het Kröller-Müller ziet hangen – hoe gedateerd in thematiek, hoe modderachtig duister in verfbehandeling – kan niet anders dan verbaasd staan over de vaardigheid van die puber. Over de druilerige Koningsbrug in Rotterdam liet hij in 1883 een stoet van jonge en oude militairen zeulen naar het schip dat hen naar Nederlands-Indië moest brengen. Een enkele armetierige vrouw klampt hen aan, hun schoffies van kinderen slenteren mee en de trommelaar, aan het hoofd van de stoet, zorgde dat al dat getergde voetvolk de pas erin hield.

Israels was, inderdaad, een wonderkind. Zestien jaar oud dreunde hij Horatius op in het Latijn, las graag Spaanse en Italiaanse literatuur en sprak Frans als zijn moedertaal. Later gooide hij zijn uitgelezen boeken door het trapgat richting zolder. Mocht hij de gebroeders De Goncourt of Goethe nog eens willen opslaan, dan kocht hij ze wel weer opnieuw. Dankzij de vaderlijke `éducation permanente', de overdosis aan zorgzaamheid van zijn moeder en het totale gebrek aan geldzorgen, lag niets hem in de weg om zichzelf en de wereld te verkennen. Behalve dan, ja, die vader dus, die hem als een huizenhoog monument overschaduwde. Voor diens uitgesproken kunstzinnige opvattingen – met schilderkunst `een gevoelig hart treffen' en `mijne aandoeningen overbrengen' – nam Isaac letterlijk in 1887 de benen naar Amsterdam. Hij zou het sentimenteel realisme van zijn vaders salonstukken voorgoed naast zich neerleggen. Liever geen naturalistische verhalen meer, maar een neutraler impressionisme.

Kunsthal

Het overzicht in de Kunsthal zal wat schilderijen betreft veelomvattender zijn dan dat in het Kröller-Müller. Van de 110 doeken is 40 procent afkomstig uit Nederlandse privé-collecties. Een fractie van het oeuvre, want Israels liet meer dan vierduizend doeken na en vele duizenden tekeningen en aquarellen. De honderden schetsboeken verdeelde het rijk na zijn dood over zo'n achttal museale instellingen. Vijftig stuks liggen straks in de Kunsthal uitgestald.

Door die brede selectie uit zijn schilderijen komt ook de reislust van Israels goed tot zijn recht. `Het hollandsche is toch [...] het mooiste wat er bestaat' schreef hij vanuit Hamburg, maar dat was geen reden om de rest van het continent te negeren. Hij woonde langere tijd in Londen en Parijs, trok vaak naar Italiaanse stranden, verkende Scandinavië en Noord-Afrika, om uiteindelijk weer neer te strijken op de Koninginnegracht, waar hij het atelier van zijn vader tot lang na diens dood leeg had laten staan.

Parijs met zijn cabarets, circussen en cafés-chantants bleef voor hem hoe dan ook het centrum van de wereld. Hij ging er vooral naartoe om bij de couturier Paquin de `naaimugjes' op de ateliers te observeren en de `essayeuses', mannequins die specifieke kleding voor klanten showden. Hoezeer hij daar de symbolist Odilon Redon en diens wazige pastels ook bewonderde en hoe graag hij ook in het gezelschap was van de jongere Kees van Dongen met zijn waaghalzerige kleurgebruik, stilistisch en inhoudelijk zou Israels werk geen noemenswaardige veranderingen ondergaan. Zijn palet werd in het zuiden bonter, zijn vrouwen minder volks en zijn taferelen lichtvoetiger, dat wèl. Maar het feit dat hij Vincents schilderijen bij Theo van Gogh in Parijs uitvoerig had gezien en dat hij zelfs twee deuren verder kwam te wonen dan Picasso bracht hem niet van zijn zorgeloos impressionisme af, van zijn turbo-`teekenen in olieverf' dat vaak doet denken aan een vingeroefening, op weg naar het échte werk.

Dankzij zijn techniek én ondanks zijn nonchalance schoot Israels af en toe midden in de roos. Zo hangt er in de Kunsthal een brutaal revue-meisje in een verenrokje dat net zo wulps opwipt als de enorme, rode tooi die ze op haar hoofd torst. Ronduit knap zijn de portretten van zwarte boksers, voor wie hij een apart zaaltje met boksring huurde. Net zo verleidelijk zijn sommige strandgezichten, waarbij kinderen even tegen de blauwe lucht in een zee van zand mochten ezeltje-rijden. Het publiek was in die tijd dol op die ezeltjes-scènes en aangezien de vaak ironische Israels de verkoop van een schilderij als `de Hoogste der kunsten' beschouwde, schilderde hij ze voor hoge bedragen maar al te graag in serie.

Gamelan

Ver in de vijftig ondernam Israels nog een reis naar Nederlands-Indië. Thuis had hij al veel eerder in een wat sombere sfeer de gamelanorkesten en de hofdanseressen geschilderd. Nu wilde hij die vloeiende dansbewegingen van de Javaanse en Balinese vrouwen onder de stralende hemel van de Archipel vastleggen. Omdat deze fase altijd onderbelicht is gebleven, stelt de Kunsthal aardig wat van die Hollands-Indische en Indisch-Indische fase tentoon, van het trotse portret van de Javaanse prins Mangkoenegara VII tot de `documentaire-kieken' van de Indische strijkers, spelend op het heetst van de dag.

Na het zien van die ingetogen Indische danseressen, al die flanerende Parisiennes in het Bois de Boulogne, de badgasten van het Lido in Venetië en de koffiepiksters in Amsterdam, vraag je je af waarom Israels zich zo nadrukkelijk in die zwierige, maar vaak slordige oppervlakkigheid bleef herhalen. Beide uitstekende catalogi, die een breder beeld geven van zijn tijd, geven geen expliciete antwoorden.

Hij schilderde om zich te amuseren, zei hij zelf. Hij wilde door het kijken naar andere mensen zichzelf misschien wel beter begrijpen, schrijft men. Of dat laatste hem gelukt is, weten we niet. Want zowel in zijn werk als in het leven zelf is Israels op veilige afstand van mensen en dingen gebleven. Zijn latere zelfportretten ontkennen dat hij daarmee gelukkig was. Steeds weer een bedrukt gezicht, met gefronste wenkbrauwen, dat zonder illusies voor zich uit kijkt. In gezelschap `zag je hem schitteren', aldus een tijdgenoot, `hij schitterde op je neer, maar bereiken kon je hem niet.' Die onbereikbaarheid kenmerkt ook menig charmant vrouwenportret. Zelden geven ze zich op het linnen bloot en als ze echt naakt poseren, mis je de erotiek, alsof de hoeden van de dames en hun strakke tailles genoeg vertelden over wie ze waren.

Israels was een wonderkind en hij is het gebleven. Zijn wereld was waar, maar niet waarachtig. Jammer, dat hij zo nodig a-sentimenteel moest blijven en zich niet de tijd gunde om, zoals Breitner, een beeld technisch en gevoelsmatig tot het uiterste aan te scherpen. Dat zo'n ontvluchtende `zienswijze' ook schitterende, atmosferische taferelen kan opleveren, bewijzen vooral zijn aquarellen. Kijk in Otterlo en Rotterdam hoe Israels met een liflafje aan beige verfwater een drijfnat wegdek ergens in Londen neerzet, hoe loom hij met wat zachtgeel een Italiaans strand laat zinderen, en hoe hij in een plas van zwart aquarelwater een statige vrouw in een boek laat wegdromen. Op zulke momenten is hij een chroniqueur van alle tijden.

Isaac Israels: Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Van 4/9 t/m 9/1/2000. Open: di. t/m za. 10-17 uur, zo. 11-17 uur. Catalogus: ƒ49,90, geb. ƒ59,90. Kröller-Müller Museum, Houtkampweg 6, Otterlo. Van 4/9 t/m 2/1/2000. Open: di. t/m zo. 10-17 uur. Catalogus ongeveer 40 gulden.