De dichter H. van Zon (1942-1998)

Het was in de zomer van 1967, ik was acht jaar en we gingen logeren bij een oom en tante in Montfoort, dicht bij Utrecht. Dat het geen gewone logeerpartij zou worden werd al snel na aankomst duidelijk. Overal loerde gevaar. Voor het huis liep een drukke tweebaansweg. Onlangs was daar nog een bromfietser metershoog door de lucht gevlogen, alvorens dood op het asfalt neer te vallen. Achter het huis liep de tuin uit op de Hollandse IJssel, waarin met een zekere regelmaat kinderen verdronken. Bij het spelen in een nabijgelegen zandafgraving was de voet van mijn neef door een passerend smalspoortreintje verbrijzeld. Maar het grootste gevaar loerde aan de overkant. 's Avonds voor het slapengaan keek ik uit op de grote, donkere boerderij aan de overkant van de weg. Daar had mijn oom vlak voor onze komst op een zondagmorgen, toen hij melk ging halen, het lichaam van de boer gevonden: onder de keukentafel, in een plas bloed, met doorgesneden keel. Rijer de Bruin, 47 jaar, vrijgezel, nooit een vlieg kwaad gedaan, was het slachtoffer van roofmoord geworden.

VRIJE REGELVAL

Ik weet niet meer wat mij 's avonds in de schemering het meest beklemde: de gedachte aan die plas bloed met dat broodmes erin, het uitzicht op die grote, nu helemaal verlaten boerderij waarin de dood rondwaarde, of de wetenschap dat de moordenaar nog ergens vrij rondliep – en het de komende nacht wel eens gemunt zou kunnen hebben op de overburen van de boer, zeker nu hij had kunnen zien dat daar bange achtjarige kinderen logeerden.

Nog jaren heeft hij in mijn kinderdromen rondgespookt, vooral toen hij een tijdje later een naam en een profiel kreeg: Hans van Z., de beroemde seriemoordenaar uit Utrecht, de uitvinder van de loden pijp, een beestmens volgens de pers. Maar, dat moest iedereen toegeven, een bijzonder beestmens. Hij had nauwelijks scholing genoten, maar beschikte wel over een goede babbel. Volgens de kranten wist hij niet eens hoeveel weken er in een jaar gingen en scheen hij op de wereldkaart Canada niet te kunnen aanwijzen. Wel deed hij zich in het Utrechtse uitgaansleven moeiteloos voor als student, en als een gretig debater bovendien. Hij was innemend en charmant, en hij ging altijd goed gekleed. `Zijn nagels hadden nooit rouwrandjes.' En natuurlijk hield hij van dieren. Zijn hond kreeg verse kroketten uit de automaat en hij had een tamme eend die hij op straat en in het park aan een lijn uitliet. Zijn moordmotieven waren en bleven intussen duister. Hij werd ontoerekeningsvatbaar geacht. Hij bekende drie moorden, gepleegd in nog geen vier maanden tijd, maar het vermoeden bleef bestaan dat het er meer waren geweest. Met levenslang verdween hij achter slot en grendel, en daarmee ook langzaam uit mijn geheugen.

Totdat hij een paar jaar geleden ineens opdook, op tv, in het `misdaadmagazine' Deadline. Mijn kinderschrik bleek gewoon in leven te zijn en hij bleek te kunnen praten – alsof je de grote boze wolf geïnterviewd zag worden. Nog verrassender: wegens goed gedrag was hij alweer tien jaar lang op vrije voeten. Hij heette geen Hans van Z. meer, maar H. van Zon. Ik zag een beschaafde man van begin vijftig, met een grijs baardje en koude ogen, maar niet eens onsympathiek. Met presentator Jaap Jongbloed liep hij de oude moordplekken langs, voor een zogeheten `reconstructie' van zijn daden. En zo verscheen opeens ook de boerderij van Rijer de Bruin in beeld, en was het ineens weer zomer 1967 en keek ik weer angstig door de vitrage naar de overkant. Ik hoorde alsnog wat er zich op 12 augustus, op die regenachtige zaterdagavond, vanaf een uur of acht, had afgespeeld tussen de boer en zijn onverwachte bezoeker. Van Zon had zich voorgesteld als journalist van het tijdschrift De Boerderij, had voor de aardigheid drank en sigaren meegenomen en zelfs nog foto's van de koeien gemaakt, voordat hij in de keuken toesloeg met zijn loden pijp (deze keer in een Knirps-paraplu-foedraal verborgen) en het broodmes dat op het aanrecht lag. Het was vreemd, om dit na zoveel jaren allemaal te horen en te zien, met commentaar van de moordenaar zelf. Nog vreemder: tijdens zijn gevangenschap bleek Van Zon ook gedichten te hebben geschreven. `Nachttrein' was er een van:

Mijn trein raast door de nacht

ik heb mijn dromen omgebracht.

De aarde onder mij trilde,

nimmer zal ik zijn wat ik wilde.

Mijn ogen willen de duisternis door-

boren,

mijn oren de wereld horen.

Steeds sneller, sneller vooruit,

waarheen, waar stap ik uit?

Het heeft wel wat, dit gedicht: iets van duister driftleven, vitalisme en expressionistisch pathos. Het is dan misschien niet `heel indrukwekkend' (Jaap Jongbloed), maar toch helemaal niet onaardig. Als je er de naam van een bekende dichter onder zette, zou het heel anders gelezen worden, maar wie de achtergronden kent, zal er vermoedelijk vooral onhandigheid in aantreffen: geleende beelden, rijmdwang, vage vraagstelling. Hoe het te duiden? De dichter zelf las het zuiver autobiografisch: hij zag in zijn eigen vers een portret van de moordenaar die zich heeft overgegeven. Hij is niet meer de bestuurder van de nachttrein, maar een willoze reiziger, naar buiten kijkend zonder iets te zien. `Ik weet niet waar die trein heen gaat, ik kan er geen richting aan geven. De dromen die je hebt als jongen of als kind of weet ik veel, die heb je zelf omgebracht, door je delicten. En waar je uitstapt – dat bepalen op dat moment de anderen, niet ik meer.' Het klonk desolaat – even desolaat als de dichter zich 25 jaar eerder, bij het schrijven, gevoeld moet hebben.

Van Zon is vorig jaar overleden. Ik denk nog vaak aan hem, en aan die bloedplas, en aan het onzichtbare beest in ieder mens – en, sinds die uitzending van Deadline, ook aan dat gedicht. Je hoort mensen wel eens praten over de schoonheid of het belang of de status van `de' poëzie, alsof het een heilig genre is. Ook Hans van Zon, naar eigen zeggen `de grootste klootzak ter wereld', nam er zijn toevlucht toe.