Dagboek van een bibliomaan

Veel namen en titels, veel musea en restaurants ook, vaak van twijfelachtig allooi. Reist veel. Houdt niet van Oostenrijkers, Italianen, Nederlanders, Fransen, Zwitsers en blanke Zuid-Afrikanen. Klaagt met grote regelmaat over geestelijk en lichamelijk ongemak. Schrijft, maar houdt er naar eigen zeggen `niet (meer) van'.

In dergelijke, van Boudewijn Büch zelf geleende, telegramstijlzinnen zou je het dagboek kunnen typeren dat hij op verzoek van zijn uitgever in 1998 bijhield. Titel: Een boekenkast op reis. Er komen ook hele zinnen in voor, maar opmerkelijk is de haast die hij bij het schrijven aan de dag moet hebben gelegd. Opmerkelijk is de geringe animo om wat hij te zeggen had ook goed te zeggen. In het voorwoord wordt al duidelijk dat het een verplicht nummer betreft. Daarin meldt Büch nadrukkelijk dat wij geen smeuïge confidenties hoeven te verwachten, omdat niemand iets met zijn privéleven te maken heeft en dat hij bitter weinig te vertellen heeft. En op 1 januari 1998, de eerste dag van het dagboek, beweert hij al spijt te hebben van zijn toezegging om dit dagboek in wording uit te laten geven. Daarom zal hij daarnaast een geheim ander dagboek gaan bijhouden.

Vreemd is wel om iemand als Büch, een autobiograficus bij uitstek, te horen beweren dat zijn privéleven ons niet aan zou gaan. Nog vreemder is het dat hij zich wel degelijk vrijwillig heeft ingelaten met een vierdelig `einde-van-het-millennium'-dagboekproject. Het eerste matig ontvangen deel van de reeks, Liefde is een zwaar beroep van Rogi Wieg, verscheen vorig jaar. Op 13 januari 1998 krijgt Büch, volgens een aantekening in zijn dagboek, een exemplaar ervan opgestuurd, ter oriëntatie. Per omgaande laat hij zijn uitgever verontwaardigd weten geen enkele belangstelling te hebben voor het werk van `die Rogi Wieg', of voor dat van welke andere Nederlandse auteur dan ook. Deze weinig collegiale uitbarsting past in de nijdige toon die Büch aanslaat. Een boekenkast op reis is daardoor een zeldzaam chagrijnig boek geworden.

Gefoeter

Waar hij zich ook met zijn team bevindt voor zijn televisieprogramma `De wereld van Boudewijn Büch', het gefoeter is niet van de lucht. Het team deugt niet, de KLM deugt niet, het hotel deugt niet, het personeel deugt niet, het eten deugt niet, het weer deugt niet. Tussendoor beschrijft hij kleine opflakkeringen van geluk. Naar eigen zeggen heeft hij zijn sociale contacten `tot nul' teruggebracht, maar in de praktijk lijkt dat mee te vallen, al koketteert hij graag met zijn veronderstelde isolement (`Ik ben obscuur en teruggetrokken geworden.') Af en toe ontmoet hij mensen voor wie hij `een warm plekje' in zijn hart koestert, of die hij `prachtmens' of `schat' noemt. In bijzondere gevallen wordt aan zo'n geliefd persoon een gedicht gewijd, dat ook wordt afgedrukt. Heviger geluksmomenten beleeft hij trouwens nog als hij een op sterk water gezette coelacanth mag aanraken, of als hij toegeeft aan zijn kennelijk onstelpbare behoefte aan materie. Als hij `leuke Duitse koloniale dingen' kan aanschaffen bijvoorbeeld, of `superieure africana'. Maar het meest opgewonden raakt hij als hij zijn boekenbezit kan uitbreiden, zijn Namibiana, zijn Smuts-verzameling, zijn Goetheana, zijn Napoleana of zijn Civil War-collectie, om maar wat te noemen.

Maar hoeveel kilo's boek hij per dag ook koopt, hoe bijzonder de aanschaf van die ene langverbeide titel, hoe smakelijk het avondeten een enkele keer, hoe mooi de hotelsuite ook kan zijn, de stemming blijft humeurig en somber. `Uiteraard verder treurig geweest vandaag', heet het, of `Zink steeds verder weg in mijn depressie'. Ook maakt hij regelmatig melding van een `algehele dip', een `intense depri-dag' of van `massieve ellende'. Om een of andere reden acht Büch het niet nodig om al die ellende nader toe te lichten, zodat zijn lezers althans een indruk zouden kunnen krijgen van de aard en oorsprong van de klachten. Zoals het er nu staat, kan men er alleen schouderophalend kennis van nemen. Dat geldt trouwens voor alles wat hij beschrijft, of het nu ontmoetingen betreft met museumdirecteuren of boekhandelaren, relaties met vrienden en kennissen, zijn eigen theatervoorstellingen, of de schier eindeloze reeks boeken die hij aanschaft. Nauwgezet vermeldt hij auteursnamen, boektitels en jaartallen, maar waar al die boeken over gaan en wat ze te betekenen mogen hebben, blijft duister.

Dubbelzinnigheid is troef in Een boekenkast op reis. We ontmoeten hier een dagboekschrijver die geen dagboek wil schrijven, iemand die meent teruggetrokken te leven terwijl hij steeds omringd is door mensen, een man die beweert bezeten te zijn van van alles en nog wat zonder ook maar de geringste vonk van al die passies over te kunnen brengen op zijn lezers. Dat hij een maniakale verzamelaar van boeken is, dat wordt duidelijk, maar of hij houdt van boeken, lijkt mij de vraag. Dat hij problemen heeft met het leven wil ik ook geloven, maar dat er ook een dosis aanstellerij in het spel is, valt alleen al af te lezen aan deze halfslachtige verzuchting: `Ik zou willen dat ik soms dood was'.

Boudewijn Büch: Een boekenkast op reis. Persoonlijke kroniek 1998. Privé-domein.

De Arbeiderspers, 286 blz. ƒ39,90