Consensus over EMU moet worden hersteld

Het vertrouwen in de euro is de afgelopen maanden beschadigd. J.P. Balkenende en J.A. de Koning vinden echter niet dat de strenge begrotingseisen, die het Stabiliteitspact heeft gesteld, mogen worden opgerekt. Nederland moet het goede voorbeeld geven.

De Economische en Monetaire Unie (EMU) blijft het dagelijks nieuws bepalen. Niet verrassend, omdat de introductie van een gemeenschappelijke Europese munt tot dusverre de meest verstrekkende stap is in het Europese integratieproces. Wel is de reden voor de belangstelling verrassend. Want hoewel veel analisten eind vorig jaar nog een massale verkoopgolf van dollars ten faveure van euro's voorspelden, is de realiteit tot op heden een andere. Een aantal factoren is hier debet aan: verschillen in economische `fundamentals' tussen de Verenigde Staten en de EU; politieke gebeurtenissen (het aftreden van de Europese Commissie en de oorlog in Kosovo) en monetaire en budgettaire ontwikkelingen.

Door de opstellers van het Verdrag van Maastricht betreffende de Europese Unie (1992) is ervoor gekozen het budgettaire beleid van de EMU binnen de afgesproken kaders aan de lidstaten te laten. Daarentegen is het monetaire beleid gecentraliseerd, en in handen gelegd van de Europese Centrale Bank (ECB). De lidstaten en de ECB hebben daarmee beide een belangrijke verantwoordelijkheid voor het welslagen van de nieuwe munt.

De taak waarvoor politici zich gesteld zien is helder. Net zo helder als het voldoen aan de convergentiecriteria die vóóraf werden gesteld aan de EMU-deelnemers (voorwaarden op het gebied van rente, inflatieniveau, wisselkoersstabiliteit, begrotingstekort en staatsschuld). Ook na het ingaan van de derde fase van de EMU blijft het voeren van een gezond budgettair beleid noodzakelijk. Daartoe zijn afspraken gemaakt in het Stabiliteitspact, waarbij de EMU-deelnemers zich verplichten te streven naar een begrotingssituatie die close to balance or in surplus is (hiermee vormt het pact een aanscherping op het begrotingstekortcriterium van drie procent in het Verdrag van Maastricht). Overschrijding van de drie procent BBP leidt, behoudens uitzonderlijke situaties, tot sancties. Deze afspraken hebben hebben uiteraard consequenties voor de nationale begrotingen, inclusief die van Nederland. In de door de lidstaten op te stellen stabiliteitsprogramma's dient te worden aangegeven hoe men het doel van begrotingsevenwicht wil bereiken.

Reeds een aantal malen is gebleken dat waakzaamheid voor wat het Stabiliteitspact betreft geboden is. Zo heeft de Italiaanse regering in november 1998 reeds een poging gedaan de regels van het pact te versoepelen door te zinspelen op het niet meer mee laten tellen van overheidsinvesteringen in de infrastructuur bij de berekening van het maximaal toegestane tekort van drie procent BBP. Premier Kok verwees dit voorstel terecht direct naar de prullenmand. En ook de Franse minister van Financiën heeft zich inmiddels doen gelden middels de suggestie om niet meer van een tekort van drie procent van het BBP per land uit te gaan, maar het eurogebied als geheel te bezien. Minister Zalms reactie in deze was voorzichtiger. Hij volstond met de vaststelling dat een dergelijk voorstel hem ,,niet bekend'' was.

Los van het principiële feit dat ook in het internationale verkeer het adagium pacta sunt servanda (verdragen dienen te worden nagekomen) zijn geldigheid niet heeft verloren, is er ook een praktische reden voor zorg. Zo waarschuwde de ECB begin juli voor het gevaar van een ernstige ondermijning van de euro ten gevolge van te hoge begrotingstekorten. In dit vertrouwelijke ECB-rapport werd gesteld dat bij een aantal EMU-deelnemers niet voldoende marge onder de drie procent van het BBP resteert om economische schokken op te vangen.

Al met al betekent dit dat de regeringen van de EMU-landen niet moeten schromen elkaar op gemaakte afspraken aan te spreken (uiteraard dienen de nationale parlementen hun regeringen in dit streven te steunen). Tijdens de aanloop naar de Eurotop van Brussel van mei 1998, waar werd besloten welke landen konden deelnemen aan de derde fase van de EMU, heeft de Nederlandse regering zich van die taak gekweten. Minister Zalm en ook premier Kok speelden, zo bleek achteraf, een belangrijke rol bij het verkrijgen van de Italiaanse toezegging dat de sanering van de overheidsbegroting ook na aanvang van de derde fase onverwijld zou worden voortgezet. Inmiddels is nu juist op dat punt een kink in de kabel gekomen

In het oorspronkelijke Italiaanse stabiliteitsprogramma was sprake van een tekortdoelstelling voor 1999 van twee procent van het BBP. De Ecofin-raad heeft echter op 25 mei van dit jaar besloten dat het Italiaanse tekort – weliswaar onder handhaving van het einddoel van een tekort van een procent van het BBP in 2001 – voor 1999 maximaal op 2,4 procent van het BBP mag uitkomen. Dit werd toegestaan met oog op de minder dan verwachte groei van de Italiaanse economie.

Niet zozeer de letter, maar de geest van Stabiliteitspact is door de recente beslissing inzake Italië aangetast. De kritiek op deze beslissing van de Ecofin-raad kon dan ook niet uitblijven: ,,Als dat de algemene trend wordt, doet dat de euro geen goed'', aldus ECB-president Duisenberg. Het hoofd van het economisch bureau van de ING-Bank was zo mogelijk nog duidelijker: ,,Italië ontbloot slappe knieën van EU-ministers.'' De voornaamste hoofdrolspelers minister Zalm en premier Kok deden in de Tweede Kamer echter voorkomen alsof er niets aan de hand was. Wie wel luisterden? De financiële markten, die de euro daarna op een tot op dat moment historisch dieptepunt zetten.

En met reden: als landen reeds nu niet in staat zijn zich aan eerder afgekondigd beleid te houden, hoe moet dat dan ten tijde van een echte recessie? En hoe reëel is in een dergelijke situatie de oplegging van sancties? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Hoe nu verder? Er zijn twee opties denkbaar. Ten eerste kunnen de Europese landen besluiten om ook het begrotingsbeleid te centraliseren op Europees niveau. Zo is in de ogen van president Wellink van De Nederlandsche Bank het Stabiliteitspact op termijn niet houdbaar, en stelde hij vorig jaar ,,dat we toe moeten naar een Europees ministerie van Financiën, dat richtlijnen kan geven over het budgettaire beleid. Dan praat je over de politieke eenwording van Europa.'' Wellink pleit dus voor het overhevelen van nationale begrotingsbevoegdheden naar Brussel.

De tweede optie, die vanuit subsidiariteitsoverwegingen de voorkeur verdient, is er zorg voor te dragen dat het Stabiliteitspact wel houdbaar is. Nederland dient daarbij een voortrekkersrol te vervullen.

Ook in ons land lijkt echter het kamp der `rekkelijken' terrein te winnen. Minister Zalm en premier Kok zijn reeds genoemd. En zelfs de VVD-fractie onthield haar steun aan een recente CDA-motie naar aanleiding van de kwestie Italië, waarbij het kabinet werd opgeroepen om in het vervolg niet meer akkoord te gaan met afspraken die afbreuk doen aan de letter en/of geest van het Stabiliteitspact. Werd in Paars I door de liberalen in de Kamer nog voor een oppositiemotie gestemd die een strikte toepassing van het drie procent begrotingstekortcriterium ten doel had; die tijden lijken met het vertrek van Bolkestein voorbij.

Het is te hopen dat de brede consensus die tot voor kort bestond in Nederland voor wat het handhaven van de in EMU-verband gemaakte afspraken betreft snel weer hersteld wordt. De taak van de Nederlandse EMU-diplomatie luidt daarom kort maar krachtig: Nederland let op uw eigen, en de Europese zaak.

Prof.mr.dr. J.P. Balkenende is lid van de Tweede Kamer en is financieel woordvoerder van de CDA-fractie.

Drs. J.A. de Koning is beleidsmedewerker van diezelfde fractie.