Ambtenaar is geen loopjongen

Het wringt tussen ministers en ambtenaren. Wie is er verantwoordelijk en wie is de baas? Deel 1 in een serie vraaggesprekken: Ed van Thijn, oud-minister, bijzonder hoogleraar en lid van de Eerste Kamer.

Hij ontwaart `baasjesgedrag' bij het kabinet. `Baasjesgedrag' van de ministers tegenover hun ambtenaren. En dat baart hem zorgen.

,,Leiderschap is mooi'', zegt Ed van Thijn, ,,maar het kan niet op commando worden afgeroepen.''

Volgende maand geeft het kabinet zijn visie op de verhouding tussen ambtenaren en hun ministers. Het is de reactie van het kabinet op de diagnose van de Tweede Kamer dat ambtelijke diensten bij de nasleep van de Bijlmerramp langs elkaar heen werkten. En dat ministers in diezelfde zaak hun ambtenaren niet goed aanstuurden. De betrokken ministers mochten blijven, maar op de departementen woekerde het ongenoegen door.

Vanuit de rust van de Eerste Kamer beschouwt Van Thijn het rumoer over de ambtelijk/politieke verhoudingen in Den Haag. Een reeks affaires en kwesties, van de cijfers over de groei van Schiphol tot de dioxine-besmetting, heeft de verhouding tussen ministers en ambtenaren onder druk gezet. Een ontwikkeling die onder Paars I al begon met het conflict tussen Sorgdrager en de procureurs-generaal als dieptepunt.

De ambtelijke top ventileert inmiddels hardop zijn ongenoegen dat ambtenaren steeds vaker de schuld krijgen; ministers tonen zich openlijk bezorgd dat ze minder greep hebben op het beleid. De politiek moet weer richting geven, schreef minister Peper van Binnenlandse Zaken in zijn essay ten behoeve van een recente brainstormsessie in het Catshuis. Leiderschap moet ,,zonder gêne en aarzeling'' worden uitgeoefend, zo luidde zijn pleidooi.

Het kabinet-Kok wil het primaat van de politiek krachtig herstellen, maar Van Thijn heeft zo zijn twijfels over die aanpak. ,,Gezag is er vanzelfsprekend of het is er niet. Zodra je er over gaat spreken is het weg.''

,,Het is een fout van de laatste jaren dat bewindslieden zich gaan gedragen als baasjes. Ze zien ambtenaren als hun loopjongens die ze opdrachten kunnen geven. Maar zo werkt het niet: de top-downbenadering is niet meer van deze tijd. Ministers en ambtenaren moeten op basis van wederzijds respect werken. Ambtenaren zijn geen schaakstukken, het zijn secondanten.''

De ministeriële verantwoordelijkheid staat voor Van Thijn als ,,kroonjuweel van ons staatsbestel'' voorop, maar hij pleit voor een professionele verhouding tussen ministers en ambtenaren. Scharnierpunt in die verhouding is volgens hem hoe wordt omgegaan met de beschikbare kennis op de ministeries. Wat weet de minister, wat krijgt hij te horen en hoe informeert hij het parlement?

,,Er is een groot structureel probleem, ik noem dat de informatie-paradox. Aan de ene kant is er een overdosis, een overload, aan informatie, die het politieke systeem dreigt te verstikken. De Kamer wordt doodgebombardeerd met informatie. Aan de andere kant is er de noodzaak dat informatie intern wordt geselecteerd. En dat leidt soms tot het achterhouden van cruciale informatie.''

Van Thijn signaleert dat ministers die functioneren zonder een heldere visie ,,loodgieterstassen vol ambtelijke stukken'' ontvangen die hen het zicht op de werkelijkheid ontnemen. En hij constateert tegelijk dat ministers die zwak opereren in het parlement vanuit hun ministerie niet altijd de relevante informatie ontvangen. ,,Je ziet dan risicomijdend gedrag optreden. Om hun minister niet nog meer problemen te geven, houden ambtenaren delicate dossiers achter.''

Hij pleit daarom, in navolging van een ambtelijke studiecommissie bij Binnenlandse Zaken, voor heldere afspraken tussen bewindslieden en de ambtelijke top over de manier waarop met informatie wordt omgegaan. ,,Noem het informatiemanagement, hoe je met zo weinig mogelijk informatie een zo adequaat mogelijk beeld kunt schetsen van de actuele situatie.''

Betrouwbare informatie is voor Van Thijn de crux voor goede verhoudingen in het staatkundig bestel. Het stelt het parlement in de gelegenheid zijn controletaak zuiver uit te oefenen en geeft de burger het vereiste inzicht in wat zich afspeelt.

Over de huidige praktijk is hij somber: ,,De informatie van de overheid is steeds controversiëler aan het worden. Je kunt de overheid niet meer op zijn cijfers geloven. Neem ook de onthullingen eerder dit jaar, over hoe de onderzoeksgegevens bij het RIVM worden gehanteerd. Wat ik zie is dat het binnen de overheid steeds vaker voorkomt dat er met cijfers wordt gemanipuleerd.''

Van Thijn houdt ministers voluit verantwoordelijk voor wat er wel en niet gebeurt op hun ministerie en wijst iedere inperking van die verantwoordelijkheid af. ,,De ministeriële verantwoordelijkheid is het sluitstuk van ons staatsbestel, daarin kun je niet klassiek genoeg zijn.'' Maar die stelregel kan in zijn ogen alleen functioneren als het parlement zijn controletaak adequaat uitoefent. ,,De Kamer hoeft een minister niet voor ieder wissewasje ter verantwoording te roepen. Maar een Tweede Kamer die grote zaken, zoals de Bijlmerramp, laat lopen en de verantwoordelijke ministers niet naar huis stuurt, zorgt ervoor dat de verantwoordelijkheid wordt afgewenteld op ambtenaren. Met als gevolg dat de verhoudingen tussen politiek en bureaucratie steeds stroever worden. Wat je dan ziet is dat de ene affaire de andere als een Chinese duizendklapper opvolgt.''