Wipbillen

Niemand kan zo welsprekend met de ogen rollen als Groenoog in wanhoop. Vorig jaar kookten we na een dagje toeren in haar dieselbatmobiel voor het eerst samen, in haar keuken. Tomaten, ui, selderij, ansjovis, blauwe kaas in de ene en spaghetti in de andere pan. Ik was verbaasd dat ze basilicumolie in het kookwater van de pasta goot, legde uit dat je pas na het afgieten, afspoelen en opwarmen van de pasta een scheutje olie of klontje boter, oregano of knoflook toevoegt. Haar ogen sloegen op hol toen ik de spaghetti doormidden brak, om en om in het kokende water drapeerde en met een vork de stengels husselde. ,,Dakànnie'', siste ze met ten hemel geslagen kijkers, ,,you have to push them down de rand naar beneden. Wat ben je toch een nutter.''

Die dag waren we van Amsterdam naar Maastricht gesjeesd om Harry G.M. Prick een unieke prijs in ontvangst te zien nemen. Zij zat aan het stuur. Buiten was het koud, binnen pelde ik mandarijntjes en draaide sjekkies voor haar. Prick kreeg de François Erens-prijs in plaats van de Frans Erens-prijs (voor neerlandici een veelzeggend verschil). Groenoog had nooit van Lodewijk van Deyssel gehoord, noch van Emants, Erens, Kloos, Netscher, Perk ( O, Iris!). Aandachtig luisterde ze naar het deze keer opmerkelijk gratuite toespraakje van Kees Fens, durfde zelfs bij het hilarisch uitwaaierende dankwoord van het feestvarken niet te lachen. Tijdens de receptie stelde ik haar voor aan het Hoofd der Eenheid, meneer Langestraat, die, vertelde ik, al heel vroeg op zijn racefiets uit Leiden was vertrokken om op tijd in Maastricht te zijn. Hij grinnikte. Met tollende ogen kwam ze even later op me toe: ,,Fuck, een poetfriend van je zei me net dat mijnier Langstraat eigenlijk Anton Korteweg heet en director is van het Letterkundig Museum.'' Toch had ik haar onderweg terdege voorbereid, uitgebreid verteld over de Tachtigers, over hun woordsamentrekkingen, het jennen van de toenmalige goegemeente. ,,Wat Arnold Grünberg nu doet?'' Neen dearest, in de vorige eeuw was alles taliger en wis en drie geestiger, bovendien heet Grunberg van voren Arnon. De componist Schönberg, die het hart brak van de muziek, de tonaliteit, heet van voren Arnold. ,,What the hell is the difference?''

Tijdens de rit had ik om haar te amuseren uit mijn hoofd Frans Netschers be- schrijving van de zangeres Miss Nelly geciteerd: ,,Wipbillend, wiegheupend en vlij-halsend.'' Groenoog: ,,Holy shit, in welke tijd lééf jij eigenlijk, in de Daring Days of Dick Dangerous?'' Repliek: Yes, riding to Maastricht with Gina Genitalia, and arriving at the Vulva Club, I pump air in my testicles and bounce off – nou goed? Taal en tijd spelen voor mij geen rol, vroeger niet en nu zeker niet. Gelukkig grinnikte Groenoog, dus citeerde ik de olijke reactie van een tijdgenoot op Netschers geëxalteerde beschrijving: ,,Ach, waarom heeft de auteur ons niet meegedeeld dat zij trippeltoonend, maatstaphakkend, wiebelschenend, trilkuitend, knikknieënd en sprijdijend was? En bovendien dijbuikend, wendlendend, zwoegborstend, haalschouderend, zwierarmend, reikhandend, wenkpinkend, knipvingerend en lonkduimend?''

Op de terugweg rolde ik celebraal als ik ben weer drummetjes, stak ze voor haar in de brand en orakelde: ,,Glanskinnend, kuilwangend, treklippend, glimtandend, wipneuzend, zweefwimperend, guitogend, lachmondend, warrelharend en vliegvlechtend in 't glibbrende lichtgeglip.'' Ze gaf een dot gas, haalde twee auto's in en vroeg minzaam: ,,Jij wordt toch op mij niet dol?'' Natuurlijk niet, bromde ik, weliswaar weet je nu het verschil tussen wipbillen en drukbillen; uit ervaring herken ik de dood in de pot. Inmiddels weet ik dat grachtengordeldieren levensgevaarlijk zijn, ongemerkt verword je, word je net zo neurotisch en zelfingenomen. In de nadagen van mijn al jaren op springen staande huwelijk stond ik elke dag urenlang op mijn balkon naar de majestueuze kastanjebomen in het park te staren. Weer of geen weer. Doodongelukkig. Ik wilde niet zijn waar en met wie ik was. Sindsdien verkies ik oorverdovende stilte. Groenoog: ,,You're really full of crap.'' Waarop ik poogde net zo eloquent als zij met de ogen te rollen.