Vriend van Mladic

Momir Talic oogt eerder als een gezellige grijsaard, met een oudemannenbuikje en een wat preuts aandoend pruimenmondje en een grootvaderlijke glimlach, dan als een oorlogsmisdadiger. Maar de stafchef van het leger van de Servische Republiek in Bosnië, gisteren verrassend aangehouden toen hij nietsvermoedend een conferentie van de OVSE in Wenen bezocht, is wel zes jaar commandant geweest van het leger van de Bosnische Serviërs in de noordelijke helft van Bosnië, inclusief de regio rond Prijedor, waar de Serviërs hun etnische zuivering met de grootste wreedheid uitvoerden en waar de beruchte kampen Keraterm, Omarska en Trnopolje lagen.

Talic, 57 jaar geleden geboren bij Banja Luka en binnen het Joegoslavische Volksleger opgeklommen tot generaal, werd aan het begin van de Bosnische oorlog in 1992 commandant van het nieuwgeformeerde Eerste Krajina Korps, het grootste in het leger van de Servische Republiek, verantwoordelijk voor het gebied van Prijedor in het noordwesten tot Brcko in het oosten. Als commandant leidde de vriend en vertrouweling van opperbevelhebber Ratko Mladic in de zomer van 1992 een van de belangrijkste operaties van het leger van de Bosnische Serviërs: de verovering van de corridor van Banja Luka naar Bijeljina (op de grens met Servië). Die corridor verbond de Servische gebieden in het noordwesten van Bosnië met die in het oosten en Servië zelf.

Na de verovering begonnen de Serviërs met de verdrijving van zeker honderdduizend moslims en Kroaten en de bouw van hun detentiekampen rond Prijedor waar duizenden moslims en Kroaten werden mishandeld, gemarteld en vermoord. Als lid van de crisisstaf voor het gebied, opgezet door de Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic, was Talic mede-verantwoordelijk voor die oorlogsmisdaden, samen met de voorzitter van de crisisstaf, Radoslav Brdjanin, de in juli gearresteerde ex-vice-premier van de Servische Republiek. Brdjanin en Talic figureren samen in een in maart door het VN-tribunaal in Den Haag uitgevaardigde geheime aanklacht. Volgens het tribunaal hebben de twee zich schuldig gemaakt aan het opstellen, uitvaardigen, uitvoeren en ondersteunen van een plan voor de verdrijving van de niet-Servische bevolking en zijn ze verantwoordelijk voor de moord op en de gevangenzetting en deportatie van de niet-Serviërs. Talic en Brdjanin verschijnen gezamenlijk voor hun Haagse rechters.

In de incidentele botsingen tussen legerleider Mladic en president Radovan Karadzic koos Talic steeds de kant van zijn chef en vriend Mladic, net zoals hij in de strijd tussen de hardliners en de gematigden in de Servische Republiek altijd de kant van de laatsten heeft gekozen. In 1995 bood hij de ex-burgemeester van Banja Luka, Predrag Radic, onderdak nadat die in conflict was geraakt met Karadzic en later in 1995 verhinderde hij met een aantal collega's dat Mladic door de president aan de kant werd gezet, door het ontslag simpelweg niet te erkennen. Twee jaar later liep hij kwaad weg uit een gesprek met Slobodan Miloševic toen die hem vroeg in het conflict tussen de gematigde Biljana Plavšic (opvolgster van Karadzic als president van de Servische Republiek in Bosnië) en de hardliners in Pale trouw te blijven aan de laatsten. Plavšic beloonde hem in februari 1998 met de bevordering tot stafchef van het leger van de Serviërs in Bosnië.

De arrestatie van Talic heeft in de Servische Republiek tot woedende reacties geleid, bij de radicalen èn de gematigden. Unisono werd het bestaan van geheime aanklachten veroordeeld. De minister van Defensie van de Servische Republiek, Manojlo Milovanovic, die in Wenen getuige was van de aanhouding en direct naar Banja Luka terugkeerde, zei dat geen Serviër meer de grens over kan zonder het gevaar te worden gearresteerd. De Servische co-president van Bosnië zei dat Bosnische Serviërs niet langer moeten deelnemen aan conferenties in het buitenland.