Voor het oog gemaakt

Zijn er nog verantwoorde hobby's waarvoor je geen kapitalen hoeft uit te geven voordat je de prijs van plezier binnenhaalt? Ja, vogels kijken. Nee, dat is niet alleen een hobby voor wereldvreemde fanatiekelingen. Gewoon de stad in en futen kijken kan ook.

Vogels vormen een diergroep die door een toevalligheid – de lucht zet geen geursporen vast – ging vertrouwen op uiterlijke herkenningstekens, op uitbundige kleuren en vormen. Geen reeksen bruine en grijze muizen die alleen maar anders ruiken en voor ons pas bij opmeting hun soort prijsgeven. Vogels maken het ons, ook `oogdieren', zo makkelijk mogelijk.

Vogels zelf zien ook liever de in felle kleuren uitgedoste recreant die op een mooi glimmend fietsje voorbij spurt, of de langeafstandswandelaar die gehaast doorloopt, dan de als jager uitgedoste man of vrouw in het groen die stilhoudt, bedreigend grote ogen opzet en hem aanstaart. Zelfs de meest terughoudende vogelkijker verstoort in zijn leven meer vogels dan degene die van die dieren niet meer wil weten dan of ze goed zingen, mooi vliegen of lekker smaken.

Voor vogels hoeft de aankomende vogelaar overigens niet `de natuur' in. Het stedelijke gebied is een goede startplaats. Voor de vogels en voor u. Het is wonderlijk hoeveel is te zien in het – al wat oudere – stedelijke groen. En iedereen is er lekker op zijn gemak. Op het druk bejaagde platteland is een broedend paartje kraaien urenlang van slag als u belangstelling toont. In de stad nodigt het u haast uit voor nestbezoek. Juist in de stad heerst de `landelijke' idylle van dieren die zich gedragen alsof de mens er niet is. Omdat de mens overal is, kun je er, als vogel, geen rekening meer mee houden. Daarom biedt de stad de beste uitgangspositie om het natuurlijke gedrag van vogels te bekijken. Oké, die meerkoet duikt een Albert Heijn-tas op in plaats van een waterplant, om er waterbeestjes vanaf te plukken, maar hij doet het zonder jou een blik waardig te keuren. En pal onder je neus houdt hij de vondst in de snavelpunt voor aan zijn kritisch keurend jong.

Het is een veelvoorkomend misverstand dat een vogelaar veel vogels moet zien. Nee, veel zien van weinig vogels mag ook. Vogels kijken kan beginnen in de eigen buurt. Volg de fuut om te kijken of hij zijn problemen binnen zijn driehoeksrelatie oplost, of dat de onderlinge nijd ervoor zorgt dat de dieren niet aan jongen toekomen. Volg een nest eendenkuikens, en tel af: veertien, twaalf, zeven, zes, vier, twee, twee, één. En wie zijn verantwoordelijk voor dit verlies? De reiger, waar u tegenwoordig maar beleefd omheenloopt, de kraai, of misschien de nijlgans – die zo aandoenlijk voor zijn kroost kan zorgen, maar op zijn tijd graag een eendenkuiken verdrinkt?

Op de televisie worden onze gevederde vrienden vaak begeleid door strijkorkesten, terwijl er in verkleinwoordjes over ze wordt gesproken. Bereidt u zich er echter op voor dat ze in tal van karaktertrekjes de mens weerspiegelen: hebzucht, rivaliteit en seksueel agressieve dadendrang. Zie hoe meerkoetouders een teveel aan jongen bestrijden door het minst geslaagde nakomelingetje dood te treiteren. Bekijk hoe een door slechte voeding wit verkleurde kraai als het zwarte schaap van zijn groep wordt behandeld en doorlopend moet knokken om de aansluiting te behouden – en toch gehavend achterblijft. Zie hoe een boomvalk acrobatisch een gierzwaluw uit de lucht grist, er op de grond wat verveeld de kop van afsloopt en dan besluit dat hij geen honger heeft.

Na het leren kennen van de vogels in de eigen buurt wordt het tijd voor het grotere werk. Het ligt dan voor de hand dat op te zoeken op het terrein waarmee Nederland internationaal meetelt: de natlanden ofwel wetlands. Daar wacht een gemengd gezelschap van mondiale allure: ganzen, eenden, aalscholvers en lepelaars, en vooral alle kleinere steltlopers. Je hoeft van die laatste maar een paar te leren herkennen om je al een kenner te voelen. Het ontluiken van de vogelaar vindt doorgaans plaats op de roemruchte Knardijk van de Oostvaardersplassen in de Flevopolder. Maar alle natte provincies hebben mooie gebieden, en, zoals in Zeeland, hele reeksen vogelobservatiehutten waar vogelvoyeurisme zonder verstoring kan worden uitgeleefd.

In die hutten heeft u zelden het rijk alleen. Vogelkijken en het fingeren van verstand van vogels is een nationale manie aan het worden. Met naar schatting honderddertigduizend beoefenaars. Nederlanders zijn hard op weg de Engelsen met hun vogelgekte van de troon te stoten. Dat komt deels door een mooie natuurwaarderingstraditie, dankzij mensen als Jac. P. Thijsse, Koos van Zomeren en onze nationale vogelman Nico de Haan. Maar het heeft ook veel te maken met een volksaard waarin het calvinisme een uitweg zoekt. Zomaar vogels kijken is er niet bij. Er moeten lijstjes worden bijgehouden, logboeken opgesteld, er moet geteld en herteld worden, een score gehaald of een prestatie neergezet. Alleen al de uitdrukking `vogelwerkgroepen' van de gevorderden geeft aan dat het met een strootje in de mond staren naar een leeuwerik in het blauwe zwerk niet echt meer vogelkijken is. Er moet een hoger doel gediend.

Het is een van de treffende cartoons van Peter van Straaten. Een wat gepreoccupeerd ogende, bebrilde man vertrekt in parka op de fiets naar bos en beemd, terwijl zijn vrouw aan een vriendin uitlegt: elke zondag gaat hij vogels beschermen. Seculariserend Nederland zoekt iets voor de zondag, en vogels dienen zich gewillig aan. Voeg hierbij dat er hier, als bij elke echte hobby, flink gespendeerd kan worden aan `state of the art'-zaken die vervolgens ostentatief kunnen worden gedragen, en je begint het succes te begrijpen. De echte vogelaars stappen lichtelijk overdressed in zelfstandig ademende avonturiersjassen uit hun auto en hebben kritisch oog voor elkaars kijkers en telescopen.

Of vogels baat hebben bij deze hobby is de vraag, maar leuk is het wel. En je hebt er niet veel voor nodig. Een lijstje benodigdheden. Ten eerste: geduld om verborgen stil te zitten. Ten tweede: een kijker of telescoop. Dat is een eerlijke markt: alle waar is naar zijn geld. Behoorlijk goede kijkers zijn goedkoper geworden, de echte topkijkers zijn onveranderlijk kostbaar in aanschaf. Een kijker heeft één alles overheersende kwaliteitseis: je hebt hem bij je. Een opgepoetste Zeiss in de kast is minder waard dan een Luxon-kijkertje van ƒ39 dat je altijd in een borstzak hebt zitten.

Telescopen bieden een veel sterkere vergroting. Bedenk dat een goed, trillingvrij statief onmisbaar is. En probeer eerst uit of de zienswijze wel bevalt: je kijkt tenslotte met één oog en zonder dieptewaarneming. Extreme vergrotingsfactoren geven een machtig gevoel, maar het verlies aan lichtopbrengst vergalt in het bewolkte Nederland vaak de lol. En als de zon wel overvloedig schijnt, bederven de even sterk uitvergrote luchttrillingen de waarneming.

Ten derde: een goede vogelgids. Kenners sjouwen loodzware boeken mee. Maar de beginner die lichtgewicht wil rondlopen heeft al enorm plezier van een dun veldgidsje als `Vogels' van Peter Hayman (Zomer & Keuning). Dan staat niets u in de weg om ongegeneerd naar zwerk, boom of beemd te staren.

Als u er nu ook nog bijkomt, groeit het leger dat overal vogelvriendelijke nieuwsgierigheid beoefent. Een nieuw initiatief verdient dus navolging: het periodiek centreren van al die vogelaars, zodat natuurgebieden elders ontlast worden. Dat staat nu te gebeuren in het Lauwersmeergebied. Eind augustus wordt daar, naar Engels voorbeeld, een meerdaags internationaal vogelfestival gehouden. `Top of Holland' voor beginners en gevorderden.