Verloren tijd

Weer sta ik op het dorpspleintje. Rechts op het grijze kerkje afficheren de Waalse socialisten hun vlezige kameraden, links prijkt nog altijd in steen de herinnering aan de jonge pastoor die in 1940 in Vlaanderen sneuvelde: ,,Als goede herder gaf hij zijn leven, en al zijn schaapjes werden gered.''

Het kerkhof is parkeerplaats geworden, maar daarnaast daalt nog steeds het pad naar de Lesse af. Links het huisje van het heksje Adrienne, die vroeger het komen en gaan over het pad gadesloeg, en de passanten van snijdend commentaar voorzag. Het huisje is nu netjes gewit en er staan viooltjes voor de ramen. Een hond slaat aan, en in de deur verschijnt een klein mannetje. Ik mompel een groet en versnel mijn pas. Waar Adrienne is, wie de man is, ik wil het niet weten. Rechts stonden vroeger schapen. Nu staat in de wei een klein wit paard, dat lichtvoetig naar het hek huppelt, en mij een fijn hoofd met een dwepend oog toedraait. Maar in de pirouette heb ik toch kunnen zien dat het in de andere kas een oog mist. Griezelig, maar ik aai het paardje toch. Het heeft veel klitten in zijn manen, want het onkruid staat hoog in de wei. Stilletjes volgt het goede oog mij als ik doorloop.

Een welvarend huis, met een welvarende tuin, alles opzichtig en goed onderhouden, is naast de paardenwei opgetrokken. Een voorpost van de nieuwe rijken. Daarna weer hazelaars en meidoorns, maar als de hagen wijken, zie ik het oude huis liggen waar ik zoveel vakanties heb doorgebracht. Grijs en stoer, huiselijk zonder enige opsmuk. De gordijnen zijn toe, maar als ik mijn neus tegen de deur druk, weet ik hoe het binnen ruikt. Hout en as. De verf van de deur is gebladderd, maar tegen de muur bloeien de roos en de clematis.

Door de wei tegenover het huis loopt een beekje dat via een zijdalletje in de Lesse uitmondt. Vandaag moet het echter eerst door een zuiveringsinstallatie. Een kantoortje staat midden tussen stinkende bassins, achter een groen raster. Na de zuivering stroomt het water in de oude badkuip die als drenkplaats dienst deed. Ooit spartelde, paars van kou en plezier, mijn zoon daarin rond. Zoveel mos en wier heeft zich intussen afgezet dat ook de koeien moeite zullen hebben eruit te drinken.

Om het beekje te volgen moet ik onder het prikkeldraad door, het bos in. Het pad verdwijnt tussen opschietende elzen en populieren. Het natte voorjaar heeft hier een waar broekbos tevoorschijn geroepen. Met elke stap verpletter ik oude takken en paddestoelen. Her en der liggen nog de stronken van de januaristorm van 1990, toen ook de grootste bomen geveld werden. Keiharde elfenbanken zetelen op het zachte hout. Pas als de bomen hoger worden en de kronen dichter, zie ik weer een pad in de ondergroei. Een wildspoor. Ik volg het naar de beek, en bereik de zwijnenbaden aan de rand van het water. Het is hier donker, maar de grijze vegen op de stammen zijn goed zichtbaar, en de grond is door vele hoeven vertreden.

Langs de wildwissel steek ik de beek over en beland in een sparrenaanplant. Opeens is het licht gefilterd als onder gebrandschilderde ramen. Het verend naaldtapijt is oranje, en de stammen ook. Alleen in de toppen, waar de strijd om het licht wordt gevoerd, is het donkergroen. De indruk van een kerk wordt ook gewekt doordat de bomen als zuilen in het gelid staan.

Na honderd meter nemen loofbomen en varens de wacht op de oevers weer over. Tussen de stammetjes van een hazelaar hebben jagers kunstig een stuk steenzout bevestigd. Zo te zien hebben de zwijnen weinig belangstelling. Of zit het te hoog? Het beekje ruist nu hard over de stenen. Ik glibber langs watervalletjes het bos uit.

Dan sta ik op het grasveld rondom de visvijver waar de beek doorheen loopt alvorens zich in de Lesse te verliezen. Maar het veld is een prairie geworden, en bramen en vlieren hebben de boorden van de vijver ontoegankelijk gemaakt. Geen stroperijen op forel meer. De kleine treurwilg aan de rand is een reusachtige boom geworden waarin een troepje staartmezen speelt. Aan de andere kant, waar het water dan eindelijk in de Lesse stort, zie ik door mijn kijker een dodaars het oppervlak kruisen. Boven mijn hoofd, tussen de elektriciteitsdraden die over het dal hangen, draait een buizerd zijn kringen.

Dan wordt de stilte in het dal doorbroken door geschreeuw en geluid van schurend polyester over steen. Het flottielje van dagjesmensen dat de Lesse afzakt is in aantocht. Loerend door het geboomte zie ik hoe jongens en meiden elkaar de loef proberen af te steken met kano's. Twee boten komen onzacht met elkaar in aanvaring, en beginnen op de stroom te tollen. ,,Hé kankerlijer, kejje niet uitkijke!'', schalt het over het water. Paradise lost.

    • Samuel de Lange