Tweedehands in de Derde wereld

In veel grote Afrikaanse steden staan overal langs de weg kraampjes met gebruikte T-shirts, broeken en blouses uit het Westen. Ghana bijvoorbeeld, importeert per Ghanees ongeveer anderhalve kilo gebruikte kleren. Vooral jongeren kopen graag Westerse kleding. Internationale organisaties als de Wereldbank en ook overheden in de Derde wereld zelf, zien de populariteit van de tweedehands kleding met lede ogen aan omdat ze bang zijn dat de lokale kleding- en textielindustrie er de dupe van is.

Maar volgens een rapport van de charitatieve kledinginzamelaar KICI, leidt de economie onder de import van gebruikte kleren per saldo niet. De onderzoekers interviewden kleermakers, consumentenorganisaties en andere betrokkenen in Polen, Ghana, Benin, Estland en Zimbabwe. De handel in tweedehands kleding heeft in een deel van de landen inderdaad een negatieve invloed op de lokale kledingproductie. Maar in het algemeen schept hij meer banen dan dat er hierdoor verloren gaan. In Polen biedt de handel werk aan zo'n 30.000 mensen, in Ghana zijn er naar schatting 100.000 tot 150.000 mensen bij betrokken. Vooral vrouwen werpen zich op als sorteerders en verkopers van de westerse T-shirts, broeken en jurken. Kleermakers verliezen niet alleen werk doordat meer mensen tweedehands kleding kopen, maar ze hebben ook extra werk met het verstellen van deze kleding.

Niettemin gaat het met de lokale kledingindustrie in veel derdewereldlanden slecht. KICI-directeur Koos van Zwieten: ,,De mensen daar wijten dat vaak aan de import van tweedehands kleding. Maar er zijn veel meer oorzaken. Veel van deze industrieën zijn verouderd, er is geen marketing en ze kunnen ook de concurrentie met de nieuwe kleren uit Aziatische landen niet aan.'' Deze industrie moet wel gestimuleerd, vindt KICI. Daarom beveelt het rapport aan de lokale industrie te helpen met kennis en technologie van de westerse kledingindustrie.