Trou moet blijcken

Er is van alles over I.D. du Plessis geschreven, over tot welke stroming hij zou behoren, of hij al of niet kon worden beschouwd als een overgangsfiguur tussen de generaties van de jaren twintig en de jaren dertig, over zijn status als navolger of voorganger, maar wat doet het er nog toe? Wat van hem rest, als we de rubricering en etikettering wegstrepen, zijn de beelden van een intiem kenner en liefhebber van de Maleise samenleving aan de Kaap en van een man die het typerende dubbelleven leidde van de homoseksueel in die dagen.

De wereld kan hem niet genoeg dankbaar zijn voor de manier waarop hij sinds de jaren dertig het bestaan van de Kaapse Maleiers heeft vastgelegd. Er waren weinig mensen die er serieuze belangstelling voor toonden en al helemaal weinig mensen die zo'n affiniteit met die samenleving hadden als I.D. du Plessis. Al eeuwen kenden de Maleiers, afstammelingen van door de Compagnie uit de Indonesische archipel naar Afrika gehaalde slaven en allemaal Afrikaanssprekend, in Kaapstad hun eigen mengeling van rituelen, gewoonten, fabels en straatliedjes. Du Plessis bracht dat milieu in kaart in een reeks boeken als Maleise liedereskat, Die Maleise samelewing aan die Kaap, The Cape Malays, Kaapse moppies en Uit de Slamse buurt. Taal, kleding, magie, begrafenissen, Mekka en raadselrijmen, het staat allemaal in die boeken en die boeken reken ik tot mijn dierbaarste bezit. De Kaapse wereld is verdwenen en die wereld bestond alleen, lijkt het, omdat I.D. du Plessis bestond.

Ook als dichter behandelt hij Slamse, d.w.z. islamitische thema's. Een gedicht over Katrina van die Bo-Kaap, de legendarische matrozenhoer, een lied over Ali, de markthandelaar. Verder schreef hij nogal wat credo-achtige dingen, en daar zie je gebeuren wat in de poëzie vaker gebeurt – als hij gaat `bekennen', in echte belijdenisgedichten, werkt het matig en geforceerd, maar als het er tussen de regels door staat, ingehouden, dan pas komt het aan.

Dan pas krijgt dat andere thema van hem, de homoseksualiteit, poëtische kracht. Vreemde liefde luidt de titel van een van zijn bundels (1937), duidelijk de liefde die haar naam niet durft te noemen –

As ek my vreemde liefde bloot moest lê,

Wat sou die vrome skenders van die skoonheid sê?

– Du Plessis heeft het over `het vuur dat in hem gloeit' en hij vraagt zich af of een sprank daarvan, als hij zijn vreemde liefde bloot zou leggen, ook de hypocrieten zou aanraken

sodat hul verstaan

Die liefde neem 'n duisend vorme aan?

Een vraag aan de wind. Het zijn geluiden die je in het Nederland uit die jaren vertrouwd zijn van dichters als Jacob Israël de Haan. Du Plessis moet diens werk goed hebben gekend, want zijn Kwatryne (1941), met hun erotiek en Oosters decor, zijn duidelijk door De Haans kwatrijnen beïnvloed.

Was die erotiek onderdrukt of kreeg ze vrij spel? Kende de vreemde liefde ook een geheim leven? Dat vroegen we ons af bij De Haan, dat vragen we ons af bij Du Plessis. Laatstgenoemde was in overheidsdienst en moest dus de geziene burger spelen. Maar in zeker gedicht spreekt hij zijn verbeelding als volgt toe –

Jy's 'n wilde ryperd, jy.

Te maklik kan jy hand-uit ruk,

My meevoer na die doolhof

Van my donker drome

– te gemakkelijk, fantasie, kun jij hand-uit ruk, op hol slaan. Dan weten we het wel.

Allemaal gegevens die de lezing van bijgaand gedicht Kaalvoet klonkie grondig moeten kleuren, dunkt me. Je hebt eigenlijk geen idee hoe je dat gedicht zou lezen als je niets van de dichter wist. In zijn schildering van het blootsvoetse, gerafelde bruine jochie – klonkie lijkt een charmant Maleis woord, maar het is een verkleinvorm van klong, wat weer een samentrekking is van kleinjong – treffen we iets van het geluk aan dat I.D. du Plessis ook wel eens ten deel moet zijn gevallen. Er schuilt mededogen, liefde in dit tafereel van het klonkie met zijn ruwe tenen en lamme o-been, dat op straat zijn lekkere tomaten en uien uitvent, met zijn mandje op zijn bolle buik –

Laat die ghantang nader skywe!

– laat de vrijer dichterbij schuiven! Een vrolijke straatroep in het Kaaps Maleis, met als onvermijdelijk commentaar

Sing jy hierdie ligte deuntjie

Bo 'n somberte in jou hart?

– een roep waarmee de dichter Du Plessis zich in hoogsteigen persoon in het gedicht zwaluwstaart.