Niet alleen noodhulp

NA EEN GROTE ramp zoals die zich begin vorige week in Turkije heeft voorgedaan, zijn meestal verschillende reacties te horen. De klassieke verklaring verwijst naar de hand van God. De Turkse president Demirel koos voor deze benadering. Streng gelovigen escaleren in hun denken al gauw naar een straf van God. Enkele fundamentalisten probeerden dezer dagen die boodschap in het getroffen gebied te verbreiden, overigens niet zonder gevaar voor eigen leven. Meer en meer wordt echter de laatste jaren achter rampen naar menselijk falen gezocht. De nasleep van de Bijlmerramp stond in dat teken en ook in Turkije concentreren analyse en kritiek zich nu voornamelijk op de povere kwaliteit van de bouw in de getroffen steden en dorpen en op de traagheid bij de hulpverlening. De ramp als mysterie heeft afgedaan. Lessen moeten worden getrokken en schuldigen gestraft.

De Turkse premier Ecevit heeft het signaal begrepen. Terecht, want beschuldigingen van particuliere corruptie en openbare nalatigheid voeren al snel naar de verantwoordelijkheid van de politiek. Wel trachtte de premier nog wat te relativeren – de aardbeving was ongekend hevig, de wegen naderhand versperd en de verbindingen verbroken – maar hij zal aan nader onderzoek naar de gang van zaken en het trekken van consequenties toch niet ontkomen. Doorgaans wordt Turkije voorgesteld als een land dat op zijn best op de drempel van de moderne tijd staat, maar nu de ramp zich heeft voltrokken aan een economisch kerngebied en daarmee heel de samenleving is getroffen, kan de politiek het niet bij traditionele platitudes laten. De ongelukkigen zijn te mondig om ze voor langere tijd met een tentenkamp en een gaarkeuken tevreden te stellen. De Turkse media lijken dat te hebben begrepen. Dat de overheid zich intussen met de rapportage heeft bemoeid, kan niet maskeren dat zij hier een achterhoedegevecht levert.

OOK TURKIJES bondgenoten en partners zullen bij zichzelf te rade moeten gaan. De publieke opinie is ondersteboven van de goodwill die het land de afgelopen week is ten deel gevallen. Oude vetes zijn vergeten en de helpende hand wordt van alle kanten toegestoken. Grieken en Armeniërs, notoire vijanden van alles wat Turks is, kiezen voor christelijke naastenliefde. En in Turkije zelf hebben zwaar verarmde Koerdische dorpsbewoners in het onder de militaire knoet levende zuidoosten zelfs botje bij botje gelegd om de slachtoffers van de aardbeving bij te staan. Ook in verderweg gelegen landen worden de beurzen getrokken. Vanavond bijvoorbeeld in Nederland.

Toch dreigt hier het risico dat aan alle caritas is verbonden, namelijk dat het bij een spontane opwelling blijft en Turkije weer wordt vergeten zodra een nieuwe gebeurtenis aller aandacht opeist. Maar Turkije staat wel, met of zonder aardbeving, op de drempel van Europa. Al jaren zit het in de wachtkamer om te worden toegelaten tot de Europese Gemeenschap en de Unie. Het heeft andere staten moeten laten voorgaan en er zullen nog meer volgen. Er waren en zijn gegronde redenen om van Turkije een extra inspanning te vragen om aan de voorwaarden van toelating te voldoen. Maar van nu af aan moet in rekening worden gebracht dat het land als gevolg van de beving in de tijd is teruggeworpen. Die constatering raakt ook de verantwoordelijkheid van Europa. Met noodhulp alleen is daarom het verhaal niet uit, hoe gul de gever zich nu ook voordoet.