Leven als Havank in Frankrijk

Sinds 1994 bestaat de Stichting Mateor, die ,,het behoud van het culturele erfgoed van Havank'' als oogmerk heeft. Deze stichting organiseert bijeenkomsten, maaltijden en ruilbeurzen van Havank-boeken en probeert op deze en andere wijzen de aandacht te vragen voor leven en werk van de eens zo bekende detectiveschrijver. En met succes. In 1996 is op het geboortehuis van Havank in Leeuwarden een plaquette ter ere van de schrijver aangebracht. In 1997 verscheen een biografie van de hand van drs. J.P.M. Passage onder de titel Havank, schets van leven en werk. Een Nijmeegs geleerde werkt aan een bibliografie van het oeuvre van Havank. En onlangs heeft de gemeente Leeuwarden besloten een woonwijk in het noorden van de stad Havankpark te noemen. Havank is dus aan de vergetelheid ontrukt en dat doet mij goed, want zijn werk heeft mijn jeugd verblijd. `Laetificabat juventutem meum', zoals hij zelf ongetwijfeld gezegd zou hebben, want zijn boeken staan vol toespelingen op zijn klassieke opvoeding en zijn roomse jeugd.

De naam Havank was een pseudoniem. De schrijver heette eigenlijk Henricus Fredericus (`Hans') van der Kallen. Hij was in 1904 geboren in een katholiek middenstandsgezin. Zijn ouders stuurden hem naar het Gymnasium Augustinianum in Eindhoven, want het was de bedoeling dat hun zoon priester zou worden. Dat is er niet van gekomen. Van der Kallen werd schrijver en wel van misdaadromans. Als zodanig was hij uitzonderlijk succesvol. Er zijn naar schatting zes miljoen exemplaren verkocht van zijn omvangrijke oeuvre dat zo'n veertig titels omvat. Waarom hij een pseudoniem nodig had, is niet helemaal duidelijk, want er komt geen onvertogen woord of passage in zijn oeuvre voor. Maar dit was toen een soort traditie. Jan de Hartog schreef detectives onder het pseudoniem F.R. Eckmar en de vader van de Nederlandse detectiveroman, Ivans, heette eigenlijk Jacob van Schevichaven. Pas na de dood van de populaire en productieve – tachtig titels! – Ivans in 1930 had Bruna behoefte aan een nieuwe detectiveschrijver en dat werd Havank.

Zijn eerste boeken, met titels als Het spookslot aan de Loire, Het mysterie van St. Eustache, Het raadsel van de drie gestalten en dergelijke, zijn uiterst conventioneel, maar geleidelijk ontwikkelde Havank een eigen stijl en het was die stijl waardoor hij beroemd en geliefd zou worden. Je zou het een gymnasiumstijl kunnen noemen, omdat hij gekenmerkt wordt door breed uitgespannen vergelijkingen en veel woordspelingen. Het werk lijkt in dit opzicht enigszins op dat van Leonard Huizinga en de minder geslaagde delen van het werk van Godfried Bomans. Sommige van die geestigheden zijn overigens best aardig, zoals: ,,de categorische aperitief, om met Kant te spreken'' of ,,het motto van de Engelse hangman: Neck plus ultra'', maar ze worden vaak gevolgd door flauwiteiten, zoals de opmerking dat een geheelonthouder iemand met een bijzonder goed geheugen is. Namen als Freule Ludmilla de Soup van Ghisteren of de pensionhoudster mevrouw de weduwe Buitmaker-Desnijer doen sterk denken aan Henriëtte van Eyks al even gedateerde De kleine parade. Alliteraties nemen een grote plaats in het werk in en ook in de titels van de boeken: Deurwaarders delirium, Dodemans dollars, Drie dartele doodgravers et cetera. De schurken dragen vreemde namen als Ozobol Paddekens, Huck en Habacuck, Emma Grammatica, Theodoros Diamandogion. Hun handlangers heten Huckmopluck, Moskokkel, Zombo Bulgurky en dergelijke. De hoofdpersoon inspecteur Charles Cariolanus Machabeus Carlier, bijgenaamd de Schaduw, neemt steeds vreemdere schuilnamen en vermommingen aan, zoals die van Broeder Pistolarius O.P. (Ordinis Politiagentium), Zuster Grimbarda of Niftar Kroek van de firma Bottle en Tricker, in effecten, met name dramatische. Dit alles kan men geestig of oubollig noemen, naar keuze, maar wat zeker verrassend is, is dat Havank een miljoenenpubliek wist te bereiken met detectives waarin met grote regelmaat wordt verwezen naar Homerus en Ovidius, Plato en Aristoteles, Racine en Corneille, Molière en La Fontaine, Goethe en Schiller, Shakespeare en Kipling, Vondel en Hooft, kortom de hele klassieke literaire canon, alsook naar het Oude en Nieuwe Testament en zelfs naar filosofen als Schopenhauer, Hegel, Nietzsche en J.B.S. Haldane. Niet minder verrassend is het een lang gedicht van Baudelaire integraal geciteerd te vinden, in het Frans.

Het is niet alleen moeilijk voorstelbaar dat deze teksten zovelen hebben aangesproken, het is ook niet eenvoudig te zeggen wat er nu eigenlijk zo aardig aan is. Echt spannend zijn ze niet. Evenmin zijn er ingenieuze plots die alleen kunnen worden opgelost door meesterspeurders als Sherlock Holmes of Hercule Poirot. De held valt, net als James Bond, geregeld in handen van schurken en net als in die boeken en films, wordt er geslagen, geschoten en gestoken dat het een lieve lust is, maar niets van dit alles valt ooit serieus te nemen.

Een deel van de charme van deze boeken, die in de jaren dertig, de crisisjaren dus, begonnen te verschijnen, was dat zij een venster openden op een andere wereld. De boeken van Havank spelen meestal in Frankrijk, in Parijs of de Provence, waar Havank lange tijd heeft gewoond en vaak verbleef. Hij kende het land goed en hield ervan. Voor de meesten van zijn lezers daarentegen was Parijs ver weg en Frankrijk een onbekend land. Televisie bestond niet, reizen was duur. Slechts zeer weinigen konden zich luxe, welvaart en genot veroorloven. De wereld van Havank daarentegen was een wereld van Peter Stuyvesant avant la lettre, met cabarets en elegante vrouwen, mooie huizen en dure auto's. Er wordt gelogeerd in de Savoy of het Negresco, gevaren met luxueuze jachten, gereden in Bentleys, Bugattis, Daimlers en Rolls Royces. Er wordt gesoupeerd, gedejeuneerd en gedineerd, met edele wijnen, fijne cognac en heerlijke spijzen (al is het vreemd dat Frankrijkkenner Havank Châteauneuf du Pape tot de bourgogne rekent).

In veel boeken wordt de lezer meegenomen naar Parijs en rondgevoerd door de stad, van Montmartre naar Montparnasse en van de Bastille naar Auteuil, via metrohaltes met exotische namen als Réaumur-Sébastopol en Barbès-Rochechouart. Er hangt vaak mist over de Seine, de natte straten van Montmartre glimmen in het licht van de straatlantaarns. In andere boeken wordt de wereld van de Provence en de Méditerranée voor de geest geroepen, met zijn pleinen en terrassen, zon en zee, cypressen en platanen, pastis en witte wijn. Zo werden Parijs en Frankrijk voor veel scholieren en andere Havanklezers een levende werkelijkheid, lang voordat ze die met eigen ogen zouden aanschouwen.